Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
07-5784 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft in het bestreden besluit een afwijzende beslissing genomen op het verzoek in het bezwaarschrift om vergoeding van de proceskosten. Afwijzing van dat verzoek hangt samen met de ongegrondverklaring van het bezwaar, zodat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat aan betrokkene geen proceskostenvergoeding in bezwaar toekwam. Inhoudelijk was bestreden besluit juist. De rechtbank heeft ten onrechte een proceskostenveroordeling in beroep uitgesproken en een vergoeding van griffierecht vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5784 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 september 2007, 06/9962 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 19 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. O.W. Borgeld, juridisch adviseur te Bentveld, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene heeft op 21 maart 2006 een verzoek ingediend voor een tegemoetkoming in de ziektekosten op grond van de (toenmalige) Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (hierna: Zvr-regeling) over het tijdvak januari 2005 tot en met december 2005. Appellant heeft betrokkene bij brief van 31 mei 2006 verzocht een kopie van de volledige aangifte Inkomstenbelasting 2005 in te zenden. Toen inzending van deze aangifte uitbleef, is hem op 19 juni 2006 nogmaals - tevergeefs - om de gevraagde informatie verzocht. Bij besluit van 14 juli 2006 heeft appellant de tegemoetkoming voor betrokkene op grond van de Zvr-regeling over het tijdvak januari 2005 tot en met december 2005 vastgesteld op € 0,00.

1.2. Het bezwaar van betrokkene tegen dat besluit is bij besluit van 27 oktober 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant op basis van de door betrokkene in bezwaar alsnog overgelegde kopie van de aangifte Inkomstenbelasting 2005 aanleiding gezien het besluit van 14 juli 2006 te herroepen en een tegemoetkoming van € 2.330,18 aan betrokkene toe te kennen over het tijdvak januari 2005 tot en met december 2005.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens zijn bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten gegeven. Daartoe heeft zij overwogen dat, nu met het bestreden besluit is tegemoetgekomen aan het bezwaar van betrokkene, appellant in strijd met het bepaalde in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beslissing heeft genomen op het verzoek van betrokkene in het bezwaarschrift om vergoeding van kosten van juridische bijstand, zodat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Ter motivering van de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat nu het primaire besluit van 14 juli 2006 op juiste gronden was genomen en appellant naar aanleiding van (pas) in bezwaar overgelegde gegevens betrokkene tegemoet was gekomen, er voor appellant geen aanleiding bestond de proceskosten in bezwaar aan betrokkene te vergoeden.

3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld in het bestreden besluit wel degelijk het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar te hebben afgewezen. Daartoe heeft hij verwezen naar de zinsnede: “Ik zie dan ook geen reden om betrokkene een vergoeding inzake gemaakte kosten van juridische bijstand toe te kennen”. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit vernietigd, een proceskostenveroordeling in beroep uitgesproken en een vergoeding van griffierecht vastgesteld.

4. Betrokkene heeft in zijn verweerschrift gesteld in het bestreden besluit geen beslissing te hebben gelezen op het verzoek om vergoeding van de proceskosten en deelt het oordeel van de rechtbank.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of appellant in het bestreden besluit een beslissing heeft genomen op het verzoek in het bezwaarschrift om vergoeding van de proceskosten. Onder verwijzing naar de door appellant aangehaalde zinsnede in het bestreden besluit, stelt de Raad vast dat in het bestreden besluit wel een beslissing is genomen op dat verzoek. Aangezien de afwijzing van dat verzoek samenhangt met de ongegrondverklaring van het bezwaar, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat aan appellant geen proceskostenvergoeding in bezwaar toekwam.

5.2. Nu de rechtbank heeft overwogen dat de afwijzing van het verzoek om tegemoet-koming in de ziektekosten bij het bestreden besluit rechtens juist is, is de Raad van oordeel dat de rechtbank op onjuiste grond het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd.

6. De aangevallen uitspraak kan dus in zoverre niet in stand blijven evenmin als de veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep en de vaststelling van de vergoeding van het griffierecht. Uit oogpunt van duidelijkheid geeft de Raad er de voorkeur aan de aangevallen uitspraak in haar geheel te vernietigen en te doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD