Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4561

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
07/4927 WAO + 07/4928 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1)Toerekening WAO-uitkering van werkneemster aan eigenrisicodragende werkgeefster (appellante). 2) Vaststelling welk uitkeringsbedrag appellante aan het Uwv dient terug te betalen. 1) Voldaan aan wettelijke vereisten. 2) Eerst in fase van verhaal kunnen beginselen van behoorlijk bestuur, redelijkheid en billijkheid een rol spelen. Appellante had tegen de toekenningsbeslissing in beroep kunnen gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4927 WAO

07/4928 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 13 juli 2007, 06/1237 en 07/123 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R. Bentum, werkzaam bij Adviesbureau Bentum, gevestigd te Nijeveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft de gemachtigde van appellante gereageerd, waarna partijen over en weer nogmaals hebben gereageerd.

De gemachtigde van appellante heeft vragen van de Raad beantwoord. Het Uwv heeft ook vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009.

Namens appellante is haar gemachtigde verschenen, bijgestaan door [directeur 1] en [directeur 2], beiden directeur van de enig aandeelhoudster van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Verdonk.

II. OVERWEGINGEN

1. Van 17 april 2000 tot 14 april 2001 is [naam werkneemster] (hierna: werkneemster) bij appellante in dienstbetrekking werkzaam geweest. Werkneemster heeft zich met ingang van 16 maart 2001 ziek gemeld. Appellante heeft met dagtekening 27 december 2001 een haar toegezonden Vragenformulier loongegevens WAO ingevuld en ingestuurd. Het Uwv heeft bij besluit van 10 april 2002 aan werkneemster met ingang van 15 maart 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Dit besluit heeft appellante toen niet ontvangen, maar eerst in juli 2006, waarna zij daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Bij besluit van 23 januari 2004, dat door het Uwv ook aan appellante is verzonden, heeft het Uwv de WAO-uitkering van werkneemster met ingang van 24 maart 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Ook tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Appellante heeft bij brief van

17 maart 2004 aangevraagd eigenrisicodrager ingevolge de WAO (erd-WAO) te worden. Het Uwv heeft bij besluit van 1 april 2004 appellante met ingang 1 juli 2004 aangemerkt als erd-WAO. Het Uwv heeft de WAO-uitkering van werkneemster op 14 maart 2005 met ingang van 15 mei 2005 ingetrokken.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 10 mei 2006 de betaling van de WAO-uitkering van werkneemster over de periode van 1 juli 2004 tot 15 mei 2005 overgedragen aan appellante (het toerekeningsbesluit) en bij besluit van 13 november 2006 vastgesteld welk uitkeringsbedrag over die periode appellante aan het Uwv dient terug te betalen (het verhaalsbesluit).

3. Het Uwv heeft de tegen de besluiten van onderscheidenlijk 10 mei en 13 november 2006 namens appellante gemaakte bezwaren bij besluiten van respectievelijk 22 september 2006 (besluit 1) en 18 januari 2007 (besluit 2) ongegrond verklaard.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellante tegen besluit 1 en 2 ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank overwoog met betrekking tot besluit 1 dat werkneemster op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag tot appellante in dienstbetrekking stond en dat zij de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken heeft doorgemaakt, zodat voldaan is aan de vereisten van artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a van de WAO. Voorts is, aldus de rechtbank, niet gebleken dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het nemen van een toerekeningsbesluit. Ten slotte overwoog de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2006 (LJN AZ0127) – dat eerst in de fase van verhaal de grieven van appellante, welke erop neerkomen dat de betalingsverplichting in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, een rol kunnen spelen.

4.3. De rechtbank heeft aan de ongegrondverklaring van het beroep tegen besluit 2 de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

"Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat eiseres als eigen risicodrager de uitkering aan betrokkene moest betalen. Vast staat voorts dat zij dit niet heeft gedaan. Hieruit volgt dat verweerder op grond van artikel 75a, vierde lid, van de WAO, verplicht was de uitkering aan betrokkene te betalen en deze te verhalen op eiseres.

De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat strikte toepassing van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 75a, vierde lid, van de WAO zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Hetgeen door eiseres is aangevoerd is geen reden om aan te nemen dat sprake is van omstandigheden als hiervoor bedoeld. Hierbij overweegt de rechtbank dat eiseres op 17 december 2001 door verweerder op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid dat aan betrokkene met ingang van 15 maart 2002 een WAO-uitkering zou worden toegekend en dat eiseres voorafgaand aan de beslissing van verweerder omtrent haar aanvraag om met ingang van 1 juli 2004 zelf het risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering te dragen in ieder geval nog op de hoogte is gesteld van het besluit van 23 januari 2004 inhoudend dat de WAO-uitkering van betrokkene zou worden herzien.

Het had eiseres dan ook uit onderzoek van haar eigen administratie duidelijk kunnen zijn dat er mogelijk nog een WAO-uitkering werd uitbetaald aan betrokkene. Daarnaast had eiseres, voor alle zekerheid, informatie kunnen inwinnen bij verweerder omtrent lopende arbeidsongeschiktheidsgevallen.

Met betrekking tot hetgeen eiseres heeft gesteld ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag stelt de rechtbank vast dat deze beroepsgrond betrekking heeft op, zoals gemachtigde van eiseres heeft gesteld, de eerste ziektedag, het dagloon en het maatmanloon. Gelet hierop betreft deze grief de omvang van het recht op WAO-uitkering, zoals die aan betrokkene is toegekend, een en ander, voor zover van belang, na de herzieningsbeslissing van 23 januari 2004. Deze beroepsgrond kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu uit het wettelijk stelsel voortvloeit dat eiseres deze grieven naar voren had kunnen brengen in een procedure naar aanleiding van het WAO-toekenningsbesluit van 10 april 2002. Dat eiseres, naar zij stelt, toentertijd niet in kennis is gesteld van dit besluit, maakt dat niet anders."

5.1. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in bezwaar en beroep voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze zijn in de verschillende fasen van de procedure uitgebreid gemotiveerd en komen er in wezen op neer dat appellante redelijkerwijs niet op de hoogte is geweest van de toekenning aan werkneemster van een WAO-uitkering. Voorts heeft appellante verzocht terug te mogen keren in het publieke bestel op grond van het door Uwv ontwikkelde buitenwettelijke beleid, ook wel het coulancebeleid genoemd.

5.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en ten aanzien van de gronden van appellante in hoger beroep verwezen naar besluit 1 en het in de beroepsfase met betrekking tot besluit 1 ingediende verweerschrift van 1 december 2006. Het Uwv heeft in besluit 1 onder andere gesteld dat appellante met het terugzenden van het in overweging 1 bedoelde en door haar ingevulde vragenformulier en met de ontvangst van het in die overweging vermelde herzieningsbesluit op de hoogte was van de WAO-uitkering van werkneemster dan wel daarvan redelijkerwijs op de hoogte kon zijn.

6.1. De Raad onderschrijft het in overweging 4.2 samengevat weergegeven oordeel van de rechtbank over besluit 1 geheel en maakt dit tot het zijne.

6.2. De Raad stemt voorts in met de in 4.3 weergegeven overwegingen van de rechtbank over besluit 2.

6.2.1. Hij voegt aan zijn instemming nog toe dat hij, gelet op zijn jurisprudentie inzake de zelfstandige betekenis van de beoordeling van de vraag of de wettelijke wachttijd ingevolge de WAO is doorlopen, de betekenis van de stelling van appellante dat zij werkneemster op 14 maart 2004 hersteld heeft gemeld kan daarlaten. Voorts lag het met het oog op de vraag of werkneemster de wettelijke wachttijd had doorlopen op de weg van appellante om bezwaar te maken tegen het in overweging 1 vermelde besluit van het Uwv van 10 april 2002. Gelet op artikel 87e van de WAO kan immers alleen in een bezwaar- of beroepsprocedure tegen dat besluit deze vraag aan de orde worden gesteld. Het feit dat dit besluit eerst ongeveer twee maanden na het nemen van het toerekeningsbesluit aan appellante bekend is gemaakt, maakt dit niet anders.

6.2.2. Voorts overweegt de Raad dat, gelet op de verwerking door appellante van het in overweging 1 vermelde vragenformulier en op de in de aanhef van dit formulier vermelde informatie, in elk geval vaststaat dat appellante op de hoogte had kunnen zijn van de mogelijkheid dat de daarin opgenomen gegevens zouden kunnen worden gebruikt voor vaststelling van het mogelijke recht op een WAO-uitkering van werkneemster. Dit wordt uiteraard niet anders door het feit dat deze gegevens ook kunnen worden gebruikt voor vaststelling van een mogelijke uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

6.2.3. Verder kan de Raad, evenals de rechtbank, er niet aan voorbijzien dat appellante, zoals ook ter zitting is komen vast te staan, het in overweging 1 vermelde besluit van 23 januari 2004 destijds heeft ontvangen. Weliswaar heeft appellante in de bezwaarprocedure tegen besluit 1 een telefoonnotitie van 4 maart 2004 overgelegd van een met een functionaris van het Uwv gevoerd telefoongesprek, maar aan deze notitie kan niet de verstrekkende betekenis worden toegekend die appellante daaraan in hoger beroep met betrekking tot het besluit van 23 januari 2004 wenst te geven. In de eerste plaats is in een interne telefoonnotitie van het Uwv van 31 augustus 2006, welke ziet op de bij de door appellante bedoelde functionaris ingewonnen informatie, het gesprek van

4 maart 2004 noch de door appellante gestelde inhoud daarvan bevestigd. Nog afgezien hiervan kan er naar het oordeel van de Raad niet aan worden voorbijgezien dat de telefoonnotitie van appellante niet vermeldt welke vragen aan het Uwv zijn voorgelegd en dat uit deze notitie ook niet blijkt dat deze betrekking heeft op evenbedoeld besluit. Gelet op een en ander had het dan ook op de weg van appellante gelegen aan het Uwv een schriftelijke bevestiging te vragen van de door haar in de verschillende fasen van de procedure gestelde betekenis van het gesprek van 4 maart 2004.

6.2.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat, voorzover de grieven van appellante met betrekking tot de hoogte van het op haar te verhalen bedrag uitsluitend betrekking hebben op de vaststelling van de eerste ziektedag, het dagloon en het maatmanloon, deze grieven alleen aan de orde kunnen komen in het kader van een tegen het toekenningsbesluit ingesteld rechtsmiddel. Daarnaast stelt de Raad vast dat van de zijde van appellante tegen de hoogte van het te verhalen bedrag geen grieven zijn ingebracht die zien op het uitsluitend op de voet van artikel 75a, vierde lid, van de WAO door het Uwv gemaakte berekening.

6.3. Wat betreft het door appellante in verschillende fasen van de procedure gedane verzoek om op grond van het zogenoemde coulancebeleid terug te mogen keren in het publieke bestel, waarop het Uwv met name is ingegaan in het in overweging 5.2 vermelde verweerschrift en in het in hoger beroep ingebrachte verweerschrift, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat dit verzoek bij de beoordeling van de besluiten 1 en 2 niet aan de orde kan komen, nu de besluiten 1 en 2 niet (mede) zien op dit verzoek. Het ligt dan ook in de rede dat het Uwv alsnog een beslissing neemt op dit verzoek waartegen appellante desgewenst bezwaar kan maken en zonodig verdere rechtsmiddelen kan aanwenden.

6.4. Al hetgeen in de overwegingen 6.1 tot en met 6.3 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.D.F. de Moor.

JL