Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
07-3759 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid eigen werk. Juistheid medische beperkingen. Voorhanden zijn van eigen werk. Geen sprake van situatie dat die arbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met een zelfde belasting en beloning niet of nauwelijks op de arbeidsmarkt aanwezig is. Maatmaninkomen was in geen van beide functies zodanig hoog was dat niet aannemelijk is dat appellant ditzelfde loon bij een andere werkgever weer zou kunnen verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3759 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juni 2007, 06/7715 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Witte voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.B. Vogt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 8 mei 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 6 juli 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Het bestreden besluit berust op het oordeel dat appellant op de in geding zijnde datum 6 juli 2006 nog als enige beperking heeft dat hij niet frequent zware lasten kan tillen tijdens het werk. Geconcludeerd is dat deze beperking er niet aan in de weg staat om zijn eigen vroegere werkzaamheden als voorbewerker/autospuiter en schoonmaker weer te kunnen verrichten. Derhalve is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid.

2.1. Namens appellant is in beroep aangevoerd dat zijn belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Bij de eerdere beoordeling van zijn medische toestand in 2004 waren er veel meer beperkingen aangenomen. Appellant heeft gesteld dat zijn medische toestand sindsdien niet is veranderd, zodat het onbegrijpelijk is dat de verzekeringsartsen nu tot een ander oordeel zijn gekomen.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is in de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, het volgende overwogen:

“De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verzekeringsarts eiser heeft gezien op zijn spreekuur en lichamelijk onderzoek heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossier studie verricht en op

11 september 2006 eiser gezien op het spreekuur.

Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het medische oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet juist zou zijn. De beschreven klachten zijn voldoende onderkend en meegenomen in zijn beoordeling. Blijkens zijn rapport van 11 september 2006 is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat er geen reden is om niet uit te gaan van normale mogelijkheden tot functioneren. Eiser heeft aangegeven dat hij sedert 2000 de internist niet meer heeft bezocht en dat hij zijn medicatie via de huisarts krijgt. De bezwaarverzekeringsarts concludeert uit het milde klachtenpatroon van eiser dat het een goed behandelde darmaandoening betreft die mild van aard is. Tevens stelt de bezwaarverzekeringsarts dat “tillen” geen negatieve invloed heeft op verhoging van de buikdruk. Eiser heeft voorts in beroep geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. De rechtbank heeft derhalve geen aanleiding gevonden een deskundige te benoemen, zoals eiser heeft gevraagd.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bevestigd dat het besluit is gebaseerd op een schatting van het eigen werk en niet op de theoretisch voorgehouden functies. Deze schatting behoeft naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen bespreking en kan buiten beschouwing worden gelaten.

Aangezien eiser met het verrichten van het eigen werk zijn maatmaninkomen kan verdienen, is er geen verlies aan verdiencapaciteit. Verweerder heeft derhalve terecht de uitkering van eiser ingetrokken.”

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

3.2. In hoger beroep is door appellant wederom aangevoerd dat het niet zo mag zijn dat er bij een ongewijzigde medische toestand volkomen andere conclusies worden getrokken. Verzocht is een deskundige te benoemen zodat de twijfel die is gerezen door de elkaar tegensprekende verzekeringsartsen kan worden weg genomen. Voorts is aangevoerd dat appellant niet bij zijn oude werkgevers kan terugkeren omdat de dienstbetrekkingen zijn verbroken. Het Uwv had moeten onderzoeken of soortgelijke arbeid met dezelfde belasting en beloning bij andere werkgevers voorhanden is.

3.3. De Raad wijst erop dat de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer in zijn rapport van 11 september 2006 heeft onderbouwd waarom er tot een gewijzigde belastbaarheid is gekomen. De bezwaarverzekeringsarts geeft aan dat de in 2004 vastgestelde beperkingen onvoldoende waren gemotiveerd. Die beperkingen blijven dan ook bij een nieuwe beoordeling niet als vanzelf gehandhaafd. Bij het nieuwe medische onderzoek zijn geen afwijkingen vastgesteld die het normale functioneren belemmeren. Daaraan wordt toegevoegd dat de behandelend gastro-enteroloog S.D.J. van der Werf, blijkens diens brief van 20 september 1999, ook al geen reden zag voor arbeidsongeschiktheid. Appellant is al jaren niet meer onder behandeling zodat het opvragen van medische informatie niet zinvol was. De Raad acht daarmee de, ten opzichte van de voorgaande beoordeling, gewijzigde belastbaarheid voldoende toegelicht en ziet geen reden om aan het verzoek van appellant om een deskundige in te schakelen te voldoen.

3.4. Ten aanzien van de grief dat appellant niet meer kan hervatten in het eigen werk bij zijn vroegere werkgevers, oordeelt de Raad dat geen sprake is van de situatie dat die arbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met een zelfde belasting en beloning niet of nauwelijks op de arbeidsmarkt aanwezig is. De arbeidsdeskundige J.A. Zandbergen heeft in zijn rapport van 5 mei 2006 aangegeven dat zowel het werk van voorbewerker/autospuiter als het werk van schoonmaker zonder grote investering (heroriëntatie) voor appellant toegankelijk is en dat er ook vraag is naar voorbewerkers en schoonmakers. Tevens stelt de Raad vast dat het maatmaninkomen in geen van beide functies zodanig hoog was dat niet aannemelijk is dat appellant ditzelfde loon bij een andere werkgever weer zou kunnen verdienen.

3.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

JL