Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4523

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
07-1353 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. De Raad stelt vast dat de klachten van appellante in 2001 aanleiding waren om haar niet meer geschikt te achten voor haar werk als buschauffeur en op de datum in geding, 27 juli 2005, nog steeds bestonden. Voor de intrekking van de WAO-uitkering van appellante ontbreekt een voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1353 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] e/v [naam echtgenoot], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30 januari 2007, 05/1197 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 mei 2005 heeft het Uwv de uitkering van appelante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 27 juli 2005 ingetrokken, onder de overweging dat appellante weer geschikt was voor het verrichten van haar eigen werkzaamheden als buschauffeur.

1.2. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 2 september 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is de intrekking van de WAO-uitkering gebaseerd op de overweging dat appellante niet arbeidsongeschikt is als gevolg van ziekte.

2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen zich op goede gronden op het standpunt hebben kunnen stellen dat de klachten van appellante niet kunnen leiden tot de opvatting dat ziekte of gebrek aan het verrichten van arbeid in de weg staat.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar in bezwaar en beroep naar voren gebrachte standpunten herhaald en medische informatie overgelegd afkomstig van haar huisarts.

3.2. Het Uwv heeft zich achter de overwegingen van de rechtbank geschaard en onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts benadrukt dat het ontbreken van een medische verklaring voor de klachten van appellante bij herbeoordeling moet leiden tot intrekking van de uitkering.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Appellante heeft op 26 mei 2000 haar werkzaamheden als buschauffeur gestaakt met klachten van haar linkerarm, linkerschouder, nek en rug. Na het verstrijken van de wettelijke wachttijd is aan haar een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij de eerstejaars herbeoordeling in 2002 heeft het Uwv de uitkering ongewijzigd voorgezet, nadat de arts T.M. Dekkers mede op basis van specialistische informatie had vastgesteld dat bij appellante sprake is van een stoornis in de beweeglijkheid van de linkerschouder, de linkerkant van de nek en de linkerknie en een stoornis in de energie en nadat bij arbeidskundig onderzoek was gebleken dat onvoldoende gangbare functies konden worden geduid.

4.3. Op 16 mei 2002 heeft het Uwv aan de werkgever van appellante op diens verzoek ter voorbereiding van het ontslag van appellante een functie-ongeschiktheidsadvies verstrekt. Daarin deelt het Uwv de werkgever mee dat de verzekeringsarts tot de conclusie is gekomen dat appellante ‘voor de functie van buschauffeur op de voorgenomen ontslagdatum 2 jaar arbeidsongeschikt is wegens ziekte of gebrek en dat naar verwachting ook nog zal zijn 6 maanden na die datum’.

4.4. In 2003 is appellante in verband met toenemende pijnklachten onderzocht door de reumatoloog M. Hoekstra. Deze specialist heeft op 12 november 2003 aan de huisarts van appellante gerapporteerd dat sprake is van chronisch diffuse pijnklachten passend bij de diagnose fibromyalgie.

4.5. In het kader van de herbeoordeling in 2005 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts A.I. Westra. Bij lichamelijk onderzoek stelt Westra vast dat appellante mankend loopt, moeite heeft met het heffen van de rechterarm, dat er een forse beperking is van alle bewegingen in de schouder en dat de knijpkracht van de rechterhand is verminderd. Westra heeft de psycholoog, fysio- en manueeltherapeut J.D. Verhoeven verzocht appellante te onderzoeken en te rapporteren. Uit de rapportage van Verhoeven van 14 april 2005 blijkt dat door hem verricht lichamelijk onderzoek van appellante nagenoeg dezelfde beperkingen naar voren brengt, die naar zijn oordeel niet zijn te herleiden tot een specifieke ziekte. Westra, die in haar rapportage van 23 mei 2005 stelt bekend te zijn met de door de reumatoloog gestelde diagnose, heeft vervolgens geconcludeerd: ‘Het arbeidsvermogen is gewijzigd ten opzichte van de laatst verrichte beoordeling. Dit komt doordat de medische inzichten zijn veranderd en er ook meer gericht is gekeken of er wel sprake is van een ziekte. Op dit moment zijn de richtlijnen zodanig dat indien er geen sprake is van een ziekte in engere zin of een aantoonbaar gebrek, er geen aanspraak meer gedaan kan worden op een WAO uitkering.’

4.6. De opvatting dat geen sprake is van ziekte wordt niet gedeeld door de bezwaarverzekeringsarts J.P. de Voogd. In zijn rapportage van 8 juli 2005 heeft hij het standpunt betrokken dat mede op grond van Mededeling M 05-16 van 30 juni 2005 van de medisch adviseur van het Uwv aan de regiostafverzekeringsartsen betreffende beoordelingen van CVS/ME de conclusie dat geen sprake is van ziekte geen stand houdt. Het bestreden besluit steunt op zijn oordeel dat beperkingen in het functioneren van appellante niet voldoende plausibel zijn omdat er sprake is van klachten waarvoor in strikt medische zin geen verklaring is gevonden.

4.7. De Raad stelt vast dat de klachten van appellante in 2001 aanleiding waren om haar niet meer geschikt te achten voor haar werk als buschauffeur en op de datum in geding, 27 juli 2005, nog steeds bestonden.

4.8. Dat bij de vanaf 2001 op verzoek van de huisarts van appellante uitgevoerde specialistische onderzoeken behalve een scoliotische kromming van de rug geen afwijkingen zijn gevonden die de pijnklachten van appellante verklaren is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om het Uwv te volgen in het door de bezwaarverzekeringsarts in zijn in hoger beroep ingebrachte rapportage van 8 mei 2007 dat in het geval van appellante nimmer sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. De beschikbare medische gegevens, waaronder de rapportage van Dekker in samenhang met de door de reumatoloog gestelde diagnose, bieden in het licht van de door Voogd in zijn rapportage van 8 juli 2005 genoemde mededeling geen aanknopingspunten voor de stelling dat indertijd op ontoereikende grondslag zou zijn aangenomen dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven beperkingen had voor het verrichten van arbeid en ongeschikt was om haar werkzaamheden als buschauffeur te verrichten.

4.9. Nu uit de rapportages van Westra, Verhoeven en Voogd niet volgt dat op de datum in geding sprake is van een in medisch opzicht betere toestand van appellante, heeft het Uwv zich naar het oordeel van de Raad ten onrechte op het standpunt gesteld dat de klachten niet plausibel kunnen worden geacht. Westra en Verhoeven hebben bij het lichamelijk onderzoek van appellente beperkingen vastgesteld in de beweeglijkheid van schouders en rug en een verminderde knijpkracht van de rechterhand. Deze vaststelling sluit aan bij de bevinding van de neuroloog H.W. Nijmeijer die na zijn onderzoek van appellante op 3 januari 2005 aan de huisarts rapporteert dat sprake is van een beperkte beweeglijkheid van cervicale wervelkolom gepaard gaande met een verminderde aanspanning bij pijn in de rechterhand, die hij duidt als cervicobrachialgie. Dat betekent dat een Functionele Mogelijkheden Lijst niet achterwege kon blijven. Voor de intrekking van de WAO-uitkering van appellante ontbreekt een voldoende medische grondslag.

5.1. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen niet in stand blijven.

5.2. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 25 mei 2005 te herroepen. Dit besluit berust op dezelfde, naar het oordeel van de Raad ontoereikende, medische beoordeling.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 26 mei 2005;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van Y. Bouchikhi als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) Y. Bouchikhi.

JL