Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
07-4707 BZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen situatie aanwezig is waarin het College niet op het advies van het IMK had mogen afgaan en onderschrijft de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4707 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 juli 2007, 07/1804 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 26 september 2007 heeft mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, zich als gemachtigde gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.F.A. de Boer, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.

1.1. Appellant exploiteert reeds geruime tijd een snackbar. Hij heeft het plan opgevat om een nachtwinkel te starten. In verband daarmee heeft appellant op 19 september 2006 een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aangevraagd. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het College advies gevraagd aan IMK Intermediair BV (IMK). Dit - op 18 december 2006 - uitgebrachte advies houdt in dat de door appellant te starten onderneming niet levensvatbaar is te achten. Het College heeft de het advies van het IMK overgenomen en heeft de aanvraag bij besluit van 25 januari 2007 afgewezen.

1.2. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 24 april 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij een rapportage van Bako te Arnhem overgelegd waarin kritiek wordt geleverd op het door het IMK uitgebrachte advies. Naar aanleiding daarvan heeft het College aanvullend advies gevraagd aan het IMK. Bij brief van 24 oktober 2007 heeft het IMK op de rapportage van Bako gereageerd en het College meegedeeld dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding vormt om het advies van 18 december 2006 te herzien. Het College heeft zich achter dit advies gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 2, tweede lid, in verbinding met artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bbz 2004 kan bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling impliceert dit dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.2. Het IMK heeft aan het advies van 18 december 2006 dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is ten grondslag gelegd dat appellant de start van het bedrijf onvoldoende heeft voorbereid, dat de ontwikkelingen in de betrokken branche matig zijn, dat appellant beperkte ondernemersvaardigheden in de detailhandel heeft en dat daarom rekening gehouden moet worden met een lange aanloopperiode en tegenvallers. Volgens het IMK zijn er als gevolg van onvoldoende risicodragend vermogen geen reserves om die tegenvallers op te vangen. Bovendien is de winstcapaciteit van het bedrijf niet voldoende om aan de verplichtingen jegens vermogensverschaffers te kunnen voldoen. Aangegeven is dat er een oplopende vermogensbehoefte zal ontstaan.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen situatie aanwezig is waarin het College niet op het advies van het IMK had mogen afgaan en onderschrijft de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid.

4.4. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad hecht daarbij met name betekenis aan het aanvullend advies van het IMK van 24 oktober 2007 waarin de kritiek van appellant op het IMK-advies van

18 december 2006 voldoende wordt weerlegd.

4.5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J.M. Heijs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) A. Badermann.

IA