Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4496

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
07-3816 WAO + 07-5306 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Met nader besluit ter uitvoering van de uitspraak niet geheel tegemoet gekomen. Het was aanvaardbaar dat de bezwaarverzekeringsarts in het voorliggende geval alleen een dossierstudie heeft gedaan gezien het uitgebreide medische dossier dat hem ter beschikking stond en het feit dat uit de onderzoeken van de verschillende specialisten consistent naar voren komt dat er bij appellant geen objectiveerbare afwijkingen zijn vastgesteld. Tegen de nieuwe berekening van het maatmaninkomen zijn geen grieven aangevoerd. De (b)va's hebben voldoende toegelicht waarom de aan appellant voorgehouden functies, ondanks enkele bij die functies aangegeven markeringen, voor hem geschikt moeten worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3816 + 07/5306 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 mei 2007, 06/5846 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 8 augustus 2007 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 februari 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 april 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.2. Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 juni 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bestreden besluit 1 berust op het standpunt dat appellant op 15 april 2006, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 15%.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en aan het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voorts is daarbij het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van het door appellant betaalde griffierecht en de door hem gemaakte proceskosten.

2.2. De rechtbank heeft de medische grondslag van de schatting juist geacht. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft de rechtbank overwogen dat bij de omschrijvingen van de geselecteerde functies enkele signaleringen voorkomen die niet door de bezwaararbeidsdeskundige zijn toegelicht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat nader onderzoek nodig is naar de omvang van de maatman teneinde het arbeidsongeschiktheidspercentage juist vast te stellen.

3.1. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat in de aangevallen uitspraak onvoldoende is ingegaan op de medische grieven.

3.2. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust en een nieuw arbeidskundig onderzoek verricht. Hierbij is het maatmaninkomen op een hoger bedrag uitgekomen. Dit heeft ertoe geleid dat op 8 augustus 2007 bij een nieuw besluit op bezwaar het bezwaar alsnog gegrond is verklaard. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 april 2006 bepaald op 15 tot 25%.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Namens appellant is erover geklaagd dat de bezwaarverzekeringsarts niet bij de hoorzitting aanwezig is geweest. De rechtbank heeft overwogen dat het aanvaardbaar was dat de bezwaarverzekeringsarts in het voorliggende geval alleen een dossierstudie heeft gedaan gezien het uitgebreide medische dossier dat hem ter beschikking stond en het feit dat uit de onderzoeken van de verschillende specialisten consistent naar voren komt dat er bij appellant geen objectiveerbare afwijkingen zijn vastgesteld. De Raad onderschrijft die overweging van de rechtbank. Ook overigens onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank over de medische grondslag van de schatting. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

4.2. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

4.3. Aangezien het hiervoor onder 3.2 weergegeven besluit van 8 augustus 2007, dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het hoger beroep van appellant geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit (hierna: bestreden besluit 2).

4.4. Het Uwv heeft bij bestreden besluit 2 uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank om een nader onderzoek te verrichten naar de omvang van de maatman. Zoals al is vermeld onder 3.2 heeft dit geleid tot een nieuwe berekening van het maatmaninkomen waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid op 15 tot 25% uitkomt. Tegen deze nieuwe berekening van het maatmaninkomen zijn geen grieven aangevoerd. De Raad gaat er daarom van uit dat de vaststelling van het maatmaninkomen geen punt van geschil meer is. In bestreden besluit 2 is voorts ingegaan op de overweging van de rechtbank dat de bezwaararbeidsdeskundige niet alle signaleringen bij de functies heeft gemotiveerd. Verwezen is naar de eerder door de arbeidsdeskundige gegeven motivering. Namens appellant is bestreden dat hij de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. Hij is het niet eens met de gegeven motivering bij de markeringen. De Raad is van oordeel dat de arbeidsdeskundige R.P. Schram en de bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde in hun rapporten van respectievelijk 14 februari 2006 en 20 juni 2006 voldoende hebben toegelicht waarom de aan appellant voorgehouden functies, ondanks enkele bij die functies aangegeven markeringen, voor hem geschikt moeten worden geacht.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep dat is gericht tegen bestreden besluit 2 niet kan slagen.

4.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

JL