Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
07/6993 AW-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

De Raad oordeelt dat niet gezegd kan worden dat de Raad zich - in zijn uitspraak van 10 juli 2008 - kennelijk niet bevoegd kon achten om van het hoger beroep van appellante kennis te nemen. Omdat dit dus ten onrechte wel is gedaan, moet het verzet tegen die uitspraak gegrond worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6993 AW-V

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrechtspraak en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2007, 06/4895 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 19 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van 10 juli 2008 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard omdat hij zich kennelijk onbevoegd heeft geacht om van het door appellante ingestelde hoger beroep kennis te nemen.

Appellante heeft tegen de uitspraak van 10 juli 2008 verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 22 januari 2009. Appellante is verschenen. Het college is, zoals aangekondigd, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De uitspraak van de Raad van 10 juli 2008 is gebaseerd op de enkele overweging dat de aangevallen uitspraak een uitspraak van de rechtbank is als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb en dat ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet is bepaald dat tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep kan worden ingesteld.

2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 10 mei 2001, TAR 2001, 137) kan er tot een doorbreking van een wettelijk appelverbod (slechts) aanleiding zijn, als sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.

3. Uit de in verzet aangevoerde gronden maakt de Raad op dat appellante van oordeel is dat van de aangevallen uitspraak moet worden gezegd dat die tot stand is gekomen met evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen. Zij heeft daarvoor zodanige, van stukken voorziene, argumenten naar voren gebracht, dat de Raad van oordeel is dat niet gezegd kan worden dat de Raad zich - in zijn uitspraak van 10 juli 2008 - kennelijk niet bevoegd kon achten om van het hoger beroep van appellante kennis te nemen. Omdat dit dus ten onrechte wel is gedaan, moet het verzet tegen die uitspraak gegrond worden verklaard.

4. Ter voorlichting van appellante wordt opgemerkt dat als gevolg van het vorenstaande ingevolge artikel 8:55, zevende lid, van de Awb de evengenoemde uitspraak van de Raad komt te vervallen. De behandeling van het onderzoek in het door appellante ingestelde hoger beroep wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De Raad zal na een zitting, of na desgevraagd van partijen verkregen toestemming tot het achterwege laten van een zitting, moeten beslissen of hier sprake is van een situatie die een doorbreking rechtvaardigt van het appelverbod.

5. De Raad ziet tot slot aanleiding het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die appellante heeft moeten maken in deze verzetprocedure. Deze kosten worden begroot op € 18,94 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 18,94, te betalen door de gemeente Rotterdam.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD