Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
07-6735 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Het College stelt zich thans op het standpunt dat de brief met bijlagen in de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar had moeten worden betrokken, dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6735 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 oktober 2007, 06/1297 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College).

Datum uitspraak: 17 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft zich op 5 juli 2004 bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) gemeld om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Op die aanvraag is aanvankelijk niet beslist. Bij uitspraak van 5 april 2005 op het verzoek om een voorlopige voorziening betreffende de weigering om te beslissen heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover van belang, het College opgedragen appellant in staat te stellen de aanvraag aan te vullen en op die aanvraag te beslissen.

1.2. Bij besluit van 28 april 2005 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen. In het kader van de behandeling van het bezwaar van appellant tegen dat besluit heeft de Adviescommissie voor bezwaarschriften op 22 november 2005 een tussenadvies uitgebracht, dat onder meer inhoudt dat geen van de afwijzingsgronden stand kunnen houden. Daarop heeft het College appellant op 19 december 2005 verzocht vóór 11 januari 2006 nadere gegevens, waaronder bankafschriften, in te leveren.

Op 10 januari 2006 heeft appellant een aantal stukken ingediend.

1.3. Appellant heeft vervolgens op 13 februari 2006 bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Op 14 augustus 2006 heeft het College appellant om ontbrekende gegevens verzocht, waaronder afschriften van zijn rekening bij de ING-bank. Naar aanleiding van het hem toegezonden eindadvies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften, inhoudende dat door het ontbreken van de bankafschriften van de ING-bank het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld, heeft appellant op 24 november 2006 nadere stukken aan het College gezonden.

1.4. Het College heeft bij besluit van 30 november 2006 het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2005 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat als gevolg van het feit dat appellant de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet nakomt, niet kan worden vastgesteld in hoeverre hij op 5 juli 2004 verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, het beroep tegen het besluit van 8 januari 2007 (lees: 30 november 2006) ongegrond verklaard en het College veroordeeld in de door appellant in verband met het ingestelde beroep gemaakte proceskosten, welke uitgaande van een wegingsfactor van 0,25 zijn begroot op € 80,50.

3. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 30 november 2006.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In zijn verweerschrift heeft het College in hoger beroep het aan het besluit van 30 november 2006 ten grondslag gelegde standpunt verlaten en dat besluit niet gehandhaafd. Het College stelt zich thans op het standpunt dat de brief van 24 november 2006 met bijlagen in de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar had moeten worden betrokken, dat het recht op bijstand per 5 juli 2004 gezien de alsnog overgelegde informatie kan worden vastgesteld en dat op grond van de door appellant aangeleverde gegevens kan worden geconcludeerd dat hij de informatie heeft verstrekt waarom het College hem had verzocht.

4.2. Het voorgaande brengt mee dat het besluit van 30 november 2006 niet berust op een deugdelijke motivering. De Raad zal daarom - met vernietiging in zoverre van de aangevallen uitspraak - het beroep tegen dat besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal het College tevens een beslissing dienen te nemen op het verzoek van appellant om vergoeding van de door hem in bezwaar gemaakte kosten.

4.3. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het College noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door het besluit van 30 november 2006 geleden renteschade. Het College zal bij die nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. Met het oog daarop merkt de Raad op dat hij niet de in het verweerschrift neergelegde opvatting van het College deelt, dat er geen recht is op vergoeding van vertragingsschade nu appellant nalatig is geweest tijdig en volledig aan zijn inlichtingenplicht te voldoen. Gelet op het tijdsverloop sinds de aanvraag om bijstand van 5 juli 2004 tot het eerste verzoek om aanvullende gegevens op 19 december 2005 en op het feit dat appellant op 24 november 2006 nog ontbrekende informatie heeft ingezonden kan immers niet worden gezegd dat de vertraging van de uitbetaling van de bijstand geheel aan appellant is te wijten.

4.4. Met betrekking tot de vergoeding van proceskosten moet worden vooropgesteld dat, wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van art. 8:75 van de Awb in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De Raad is anders dan het College van oordeel dat hiervan geen sprake is. De Raad verwijst daartoe naar het in hoger beroep door het College ingenomen standpunt dat de informatie die appellant bij brief van 24 november 2006 met bijlagen heeft verstrekt in de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar had moeten worden betrokken. Dat deze informatie in beroep nog is aangevuld maakt dat niet anders.

De vergoeding van de proceskosten in beroep is in de aangevallen uitspraak vastgesteld op € 80,50 wegens verleende rechtsbijstand. De nog te vergoeden proceskosten in beroep worden door de Raad met inachtneming hiervan begroot op 0,75 x 1 x € 322,-- is

€ 241,50. De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 644,--, eveneens voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 november 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 885,50, te betalen door de gemeente Delft;

Bepaalt dat de gemeente Delft aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

RB