Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4289

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
07-1161WAO+07-5783WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerkster van vis met klachten aan nek, schouder en rug. Fibromyalgie. Nader besluit in hoger beroep: toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Besluit 1: Beperkingen zijn juist vastgesteld. Besluit 2: Arbeidskundige grondslag. Geschiktheidheid functies. Er is een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de signaleringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1161 WAO + 07/5783 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 januari 2007, 05/1702

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft A.H. Bekkema-van den Berg, werkzaam bij CNV BedrijvenBond te Houten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 oktober 2007 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellante is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als verwerkster van vis voor 40 uren per week. Op 4 juli 2003 is zij uitgevallen voor haar werk in verband met klachten aan nek, schouder en rug. Later is de diagnose fibromyalgie gesteld. Op grond van de resultaten van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante ongeschikt is voor het eigen werk, doch geschikt is voor gangbare arbeid, waarvan haar voorbeelden zijn voorgehouden. Bij besluit van 20 december 2004 heeft het Uwv geweigerd appellante in aansluiting op de (verlengde) wachttijd per 30 december 2004 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid in de zin van die wet minder dan 15% bedraagt.

1.2. Bij besluit van 23 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 20 december 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven ter zake van griffierecht en proceskosten.

2.2. De rechtbank heeft met betrekking tot de medische grondslag van bestreden besluit 1 vastgesteld dat sprake is geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek. De rechtbank is van oordeel dat de uit dat onderzoek getrokken conclusies op toereikende wijze zijn onderbouwd. In dat verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de bevindingen van de revalidatiearts W.C.G. Blanken, neergelegd in diens onder de processtukken bevindende schrijven van 21 november 2005, de door de (bezwaar)verzekeringsarts aangenomen beperkingen bevestigen. Nu van de zijde van appellante geen nadere (medische) gegevens zijn ingebracht, die een ander licht werpen op de belastbaarheid van appellante op de datum in geding of die tot twijfel leiden aan de vaststelling van het Uwv daarvan, ziet de rechtbank geen reden de medische grondslag voor onjuist te houden. Zij heeft daarom geen aanleiding gezien het advies van een medisch deskundige in te winnen.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat de geschiktheid van appellante voor de aan bestreden besluit 1 uiteindelijk ten grondslag gelegde functies voldoende is gemotiveerd. Nu een toereikende arbeidskundige onderbouwing eerst in beroep is gegeven, heeft de rechtbank bestreden besluit 1 vernietigd, doch aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3.1. Appellante is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Zij heeft in hoger beroep volhard in haar stelling dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat zij daarom niet in staat is de haar voorgehouden functies uit te oefenen. In het bijzonder acht zij zich niet inzetbaar voor een volledige dagtaak. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij enige medische stukken in het geding gebracht. Tot slot heeft zij verzocht het Uwv te veroordelen tot voldoening van de geleden schade, bestaande uit wettelijke rente.

3.2. Het Uwv heeft in de loop van de hoger beroepsfase het in rubriek I genoemde besluit van 10 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit 2) genomen. Bij dat besluit is appellante alsnog met ingang van 30 december 2007 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Blijkens het aan dat besluit ten grondslag liggende rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 mei 2007 is na herbeoordeling een van de functies die aan de schatting ten grondslag was gelegd als niet passend aangemerkt. Voorts heeft aanpassing van de zogeheten reductiefactor plaatsgevonden. De verdiensten in de resterende geduide functies zijn vergeleken met het maatmanloon hetgeen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 17,06%.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad is van oordeel dat in hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van de medische grondslag heeft aangevoerd, geen grond is te vinden om de rechtbank in haar oordeel niet te volgen. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vastgestelde beperkingen van appellante ten tijde hier in geding. Naar aanleiding van de door appellante in hoger beroep ingebrachte medische gegevens overweegt de Raad nog het volgende. Het Uwv heeft met betrekking tot het door appellante overgelegde schrijven van 14 februari 2007 van de reumatoloog D.G. Kuiper-Geertsma verwezen naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts J.C.H. Schnitger-Horsthuis van 10 mei 2007. Schnitger-Horsthuis wijst er op dat deze reumatoloog appellante in april 2005 eenmalig heeft onderzocht en dat zij zich destijds niet heeft uitgesproken over de belastbaarheid van appellante. Twee jaar later geeft deze reumatoloog op grond van een brief van appellante en zonder hernieuwd medisch onderzoek aan dat appellante niet in staat is fulltime te werken. Deze conclusie wordt door haar, aldus Schnitger-Horsthuis, niet onderbouwd. Tot een urenbeperking ziet zij geen aanleiding. Ook de revalidatiearts Blanken heeft in zijn schrijven van 21 november 2005 geen indicatie gezien voor een urenbeperking. Op grond van deze reactie heeft het Uwv in de in hoger beroep overgelegde gegevens geen aanleiding gezien om terug te komen op het ingenomen standpunt. De Raad volgt dit standpunt van het Uwv. Appellante heeft er tot slot nog op gewezen dat zij sedert maart 2007 onder behandeling is voor haar psychische klachten. De Raad zal hieraan voorbij gaan nu in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 30 december 2004.

4.3. De Raad stelt vervolgens vast dat het Uwv met bestreden besluit 2 te kennen heeft gegeven dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 niet in stand kunnen blijven. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd als in rubriek III is omschreven. In zoverre slaagt het hoger beroep.

4.4. Aangezien het Uwv met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van appellante, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.5. Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad dat het bij de beoordeling van dat besluit nog slechts kan gaan om de arbeidskundige grondslag. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt en dat de in de diverse arbeidsdeskundige rapportages een als genoegzaam aan te merken toelichting is gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen. Het beroep tegen bestreden besluit 2 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

5.1. Met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken bestreden besluit 1 schade heeft geleden, verband houdende met vertraagde uitbetaling van de uitkering. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante verschuldigde wettelijke rente over die na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995/114.

5.2. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 geheel in stand zijn gelaten;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente zoals in rubriek II van deze uitspraak aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in bezwaar en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG