Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
07-3746 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen aanleiding deskundige in te schakelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3746 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2007, 06/788 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.H. Garretsen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 23 november 2007 heeft de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep het verzoek van appellante om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008.

Namens appellante is verschenen mr. Garretsen en het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voltijds werkzaam als administratief medewerkster, is op 21 maart 1988 uitgevallen met psychische klachten. Aan appellante werd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 16 september 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van 17 november 2005 ingetrokken onder de overweging dat de mate van arbeidsonge-schiktheid minder dan 15% is. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts D.T. Kam ten grondslag. Deze arts heeft appellante op 12 juli 2005 op het spreekuur gezien en vastgesteld dat het in medisch opzicht beter gaat ten opzichte van vorige beoordelingen en dat er geen sprake is van een ernstige stoornis op psychisch vlak. Kam stelt dat appellante niet voldoet aan de standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden, wel acht hij appellante in psychisch opzicht beperkt belastbaar. De beperkingen zijn vastgelegd in de (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst van 24 augustus 2005. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige J.F. van Daalen met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd die appellante met haar beperkingen zou kunnen verrichten. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

1.3. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek na verkregen medische informatie van de behandelend psycholoog S. Wurms van 27 december 2005 en op basis van eigen onderzoek op 11 november 2005, als diagnose gesteld ‘Aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken’. De bezwaarverzekeringsarts is van oordeel dat de FML van 24 augustus 2005 aansluit bij de gestelde diagnose en het klinisch beeld. Bij besluit op bezwaar van 23 januari 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Gelet op de late (aanvullende) motivering van de geschiktheid van de functies heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met instandlating van de rechtsgevolgen.

3.1. In hoger beroep is namens appellante, met verwijzing naar de gronden van het bezwaar en beroep, aangevoerd dat zij de rechtbank niet kan volgen in het oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Appellante kan zich niet vinden in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op de in beroep overgelegde verklaring van psychiater J.M.C. van Dam, werkzaam bij Mentrum, gedateerd 27 januari 2006. De door de psychiater genoemde GAF-score van 50 duidt op ernstige problemen en ernstige beperkingen in het beroepsmatig functioneren. Appellante stelt een jaar in de crisisopvang van Mentrum gezeten te hebben en daar nog steeds onder behandeling te zijn.

3.2. De Raad overweegt het volgende.

3.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

3.4. De Raad is van oordeel dat de belastbaarheid van appellante op zorgvuldige wijze is vastgesteld en heroverwogen. De Raad stelt wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit vast dat er geen aanknopingspunten zijn om het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts inzake de belastbaarheid van appellante, die mede is gebaseerd op de informatie van de behandelend psycholoog, voor onjuist te houden.

Door appellante is in hoger beroep geen medische onderbouwing gegeven voor de aanname van verdergaande beperkingen op de datum in geding. Wederom is gewezen op de informatie van psychiater Van Dam van Mentrum. In de hoger beroepsfase is hierop gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts. De Raad ziet geen grond voor twijfel aan de visie van de bezwaarverzekeringsarts.

Van een langdurige opname in de crisisopvang zoals door appellante is gesteld blijkt niet uit de stukken. De opname vanaf januari 2006, waarvan de gemachtigde van appellante ter zitting van de rechtbank melding maakt, dateert van ruim na de in geding zijnde datum van 17 november 2005. De Raad acht het van belang dat de bezwaarverzekeringsarts appellante kort voor deze datum, op 11 november 2005, heeft gesproken en toen bij het oriënterend psychiatrisch onderzoek geen aanwijzingen vond voor psychopathologie.

Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding tot het inschakelen van een deskundige.

3.5. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 januari 2007 de geschiktheid van appellante voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op haar belastbaarheid, voldoende is gemotiveerd.

3.6. Al het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

3.7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) E.M. de Bree.

MH