Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
27-02-2009
Zaaknummer
07-4637 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Betrokkene wordt in staat geacht de voorgehouden geselecteerde functies te vervullen. De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4637 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 28 juni 2007, 07/232 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. van der Woude, advocaat te Zutphen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009.

Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Woude. Het Uwv was vertegenwoordigd door E. van den Brink.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving sinds 26 januari 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op 17 maart 2006 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts A.J. Werner. In het door Werner uitgebrachte rapport is vermeld dat bij appellante sprake is van forse psychische klachten bij een forse psychosociale problematiek. Appellante wordt beperkt geacht ten aanzien van stresserende werkomstandigheden, conflicthantering, omgaan met emotionele aspecten, conflicterende functie-eisen. Het werk dient gestructureerd te zijn en er mag geen sterke tijdsdruk of dwingend hoge tempobelasting in voorkomen. Verder acht de verzekeringsarts appellante aangewezen op werk zonder onregelmatige of nachtdiensten; structuur en regelmaat zijn van belang. De voor appellante aangenomen medische beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

1.3. Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige G.J. Tekelenburg functies geselecteerd met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Tekelenburg heeft op 2 augustus 2006 gerapporteerd dat er geen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden gesteld op minder dan 15%.

1.4. Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 3 oktober 2006 ingetrokken.

1.5. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Laros op 22 november 2006 een rapport uitgebracht, waarin als conclusie is vermeld dat de medische beperkingen van appellante door de primaire verzekeringsarts juist zijn vastgesteld. De FML dient op drie onderdelen te worden aangepast: de toelichting “verlaagd” bij 1.1 (concentreren van aandacht) dient te worden verwijderd, bij 1.9 geldt alsnog een beperking “niet werken met/bij draaiende machines, geen voertuigen besturen” en de door de verzekeringsarts gestelde beperking ten aanzien van werktijden was ten onrechte niet in de FML opgenomen. Op 22 november 2006 is de FML aangepast.

Bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman heeft op 5 december 2006 opnieuw het CBBS geraadpleegd en is tot de conclusie gekomen dat per datum in geding, 3 oktober 2006, onvoldoende functies zijn te duiden. Per toekomende datum zijn er voldoende passende arbeidsmogelijkheden om de conclusie dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is te dragen.

1.6. Bij besluit van 2 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 augustus 2006 gegrond verklaard. De WAO-uitkering wordt met ingang van 7 februari 2007 ingetrokken.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch onderzoek voldoende diepgaand is en dat de uit dat onderzoek getrokken conclusies op toereikende wijze zijn onderbouwd. De rechtbank heeft voorts de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt geacht.

3.1. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat het verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Appellante is van mening dat uit de in beroep overgelegde verklaring van haar behandelend psychiater F. Kaya van 28 maart 2007 duidelijk blijkt dat er meer beperkingen bestaan dan waar de verzekeringsartsen van uitgaan. Zij acht zich ook niet in staat om de geselecteerde functies te vervullen.

3.2. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

3.3. De Raad overweegt als volgt.

3.4. De primaire verzekeringsarts heeft appellante onderzocht en informatie ingewonnen bij behandelend psychiater Kaya, die op 14 maart 2006 zijn bevindingen heeft gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht, is aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft appellante onderzocht. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest.

3.5. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv - desgevraagd - gesteld dat de opmerking in het in hoger beroep overgelegde verweerschrift dat het schrijven van psychiater Kaya van 28 maart 2007 geen nieuwe informatie bevat en dat het niet aan de psychiater is om een uitspraak te doen over arbeidsongeschiktheid, een weergave is van de - niet afzonderlijk op schrift gestelde - reactie van de bezwaarverzekeringsarts op de brief van Kaya. Nu deze brief door een bezwaarverzekeringsarts is gezien en beoordeeld en deze arts geen aanleiding heeft gezien tot aanpassing van de FML en er in hoger beroep geen medische gegevens zijn ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid, ziet de Raad geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

3.6. Aan de onderhavige schatting liggen functies ten grondslag binnen de sbc-codes 111180, 111171 en 111175. De geschiktheid van deze functies is naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige Westerman van 5 december 2006 en 21 december 2006.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag berust.

3.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3.8. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) E.M. de Bree.

GdJ