Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
26-02-2009
Zaaknummer
05-6846 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante, zoals weergegeven in de FML niet juist zouden zijn. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat Appellante geschikt is voor haar eigen werk, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6846 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2005, 05/1082 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.F. Achekar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Door de Raad is prof. dr. D.A.J.P. Denys, psychiater, benoemd als deskundige teneinde een onderzoek in te stellen naar de gezondheidstoestand van appellante. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek is op 19 maart 2008 een deskundigenrapport uitgebracht.

Bij brief van 19 mei 2008, met bijlagen, heeft het Uwv gereageerd op het deskundigenrapport.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster in twee dienstverbanden voor in totaal 34,5 werkuren per week. In 1997 is zij voor dat werk uitgevallen in verband met diverse psychische en lichamelijke klachten. Sedert 28 oktober 1998 ontvangt zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

1.2. In verband met de zogenoemde vijfdejaarsherbeoordeling heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen en conclusies uit deze onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van

14 mei 2004 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 17 april 2004 ingetrokken omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen, neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

12 december 2003, geschikt is het eigen werk van schoonmaakster in beide, nog bestaande, dienstverbanden te verrichten.

1.3. Bij besluit van 20 december 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 14 mei 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft echter het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat het Uwv in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de arbeidskundige bezwaren van appellante niet had voorgelegd aan een bezwaararbeidsdeskundige. Nu in beroep alsnog een arbeidskundige heroverweging heeft plaatsgevonden heeft de rechtbank aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad stelt vast dat gelet op de inhoud van het hoger beroepschrift appellante in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven. De grieven van appellante richten zich tegen de vaststelling van de medische beperkingen die het gevolg zijn van haar psychische klachten. De Raad zal zijn beoordeling daartoe beperken.

3.2. In hetgeen door appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, heeft de Raad aanleiding gezien de in rubriek I genoemde deskundige te verzoeken onderzoek te doen naar de gezondheidstoestand van appellante. In het in rubriek I vermelde deskundigenrapport van 19 maart 2008 is geconcludeerd dat bij appellante op de datum in geding, 17 april 2004, sprake is van een depressieve stoornis en dat deze depressieve stoornis niet is vastgesteld in het rapport van de verzekeringsarts van 12 december 2003. In hetgeen in het deskundigenrapport is uiteen gezet heeft de bezwaarverzekeringsarts aanleiding gezien de FML van 12 december 2003 aan te passen. Hij heeft geconcludeerd dat bij de stoornis zoals die aanwezig was op de datum in geding ernstige beperkingen ten aanzien van arbeid kunnen worden aangenomen. Met inachtneming daarvan heeft hij op 8 april 2008 een nieuwe FML opgesteld. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 16 mei 2008 geconcludeerd dat, rekening houdend met de gewijzigde FML, appellante ongewijzigd geschikt is de werkzaamheden verbonden aan het eigen werk van schoonmaakster in beide dienstverbanden te verrichten.

3.3. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante, zoals weergegeven in de FML van 8 april 2008, per de datum in geding niet juist zouden zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van de bevindingen van het deskundigenonderzoek in ruime mate beperkingen aangenomen en heeft daarbij oog gehad voor de door appellante geuite psychische klachten. Het deskundigenrapport van 19 maart 2008 noch de overige medische stukken in dit geding geven de Raad aanleiding voor de veronderstelling dat met de in de aangepaste FML van 8 april 2008 vastgelegde medische beperkingen de belastbaarheid van appellante is overschat.

3.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat het eigen werk van schoonmaakster, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt is te achten en dat met de voormelde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 mei 2008 de geschiktheid op alle relevante aspecten van de werkzaamheden afdoende is gemotiveerd.

3.5. De Raad is - gelet op hetgeen hiervoor onder punt 3.3 en 3.4 is overwogen - evenals de rechtbank, zij het op andere gronden, van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven.

3.6. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG