Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
07-4180 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid medische beperkingen. Door rechtbank deskundige ingeschakeld. In beginsel oordeel onafhankelijk deskundige volgen. Geen aanleiding tweede deskundige in te schakelen. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4180 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 juli 2007, 05/5277 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij schrijven van 24 december 2007, met bijlage, een nadere arbeidskundige toelichting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Voets, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die in verband met een pneumokokken meningitis is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als manager productie en logistiek, ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is in het kader van het aangepast Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten herbeoordeeld. Het Uwv heeft appellant in verband met restverschijnselen na de doorgemaakte meningitis belastbaar geacht voor geestelijk niet complex werk, met een duurbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week. De beperkingen van appellant zijn vastgelegd in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 februari 2005. Het verlies aan verdiencapaciteit van appellant is door de arbeidsdeskundige na functieduiding berekend op 67,6%. Bij besluit van 12 april 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 13 juni 2005 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

3. Dit besluit is na onderzoek in bezwaar door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige gehandhaafd bij het in beroep bestreden besluit van 9 november 2005.

4.1. Appellant heeft in beroep, onder verwijzing naar een op 20 december 2005 gedateerde verklaring van neuroloog dr. M.W.I.M. Horstink en rapportages van revalidatiecentrum Groot Klimmendaal (hierna: Groot Klimmendaal), betoogd zwaarder beperkt te zijn in zijn functionele mogelijkheden dan is aangenomen door het Uwv. Appellant is van mening dermate beperkt te zijn dat het hem aan duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreekt dan wel dat hij geen relevante arbeidsprestatie kan leveren. Het Uwv heeft naar de mening van appellant voorts ten onrechte niet de beperkingen gehandhaafd ten aanzien van de aspecten 1.9.8 (geen hoog handelingstempo) en 2.12.3 (moeten kunnen terugvallen op directe collega’s of leidinggevende). Appellant heeft verder gesteld dat de FML door de verzekeringsarts zodanig is ingevuld dat er sprake is van verborgen beperkingen en dat niet afdoende is toegelicht dat de aan hem voorgehouden functies passend zijn.

4.2. Op verzoek van de rechtbank heeft neuroloog dr. P.J.M. van Wensen bij rapportage van 6 november 2006 van verslag en advies gediend. Van Wensen constateerde dat er bij appellant ten tijde in geding sprake was van een post purulente meningitis syndroom, dat vooral gekenmerkt werd door concentratie- en geheugenstoornissen. Van Wensen stemde in met de belastbaarheid van appellant zoals vastgesteld door het Uwv in de FML van 15 februari 2005. Verder heeft Van Wensen zich kunnen vinden in het standpunt van het Uwv dat appellant in staat geacht moest worden 20 uur per week te werken in de hem voorgehouden functies.

4.3. Appellant heeft zich niet kunnen vinden in de conclusies van Van Wensen en heeft onder verwijzing naar een op 30 november 2006 gedateerd schrijven van revalidatiearts J.D. Martina van Groot Klimmendaal nogmaals benadrukt dat de belastbaarheid wat betreft de duurbelasting te hoog is ingeschat. Appellant heeft in dit verband betoogd dat uit de wetenschappelijke literatuur bekend is dat niet-aangeboren hersenletsel kan leiden tot (extreme) vermoeidheidsklachten.

4.4. Van Wensen heeft in hetgeen appellant heeft gesteld desgevraagd geen aanleiding gezien zijn standpunt te herzien.

4.5. De rechtbank heeft het Uwv en de deskundige Van Wensen gevolgd in hun oordeel over de belastbaarheid van appellant en heeft geen aanleiding gezien om een nader onderzoek door een revalidatiearts te initiëren. De rechtbank heeft zich tot slot kunnen vinden in het oordeel van het Uwv en Van Wensen dat de aan appellant voorgehouden functies passend zijn.

5. Appellant heeft in hoger beroep zijn in beroep aangevoerde grieven in essentie herhaald. Voor wat betreft de vaststelling van de restschade had de rechtbank naar de mening van appellant een uitzondering moeten maken op de hoofdregel dat een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te worden gevolgd, omdat Van Wensen zijn rapportage niet van een deugdelijke onderbouwing heeft voorzien en niet heeft onderbouwd waarom de conclusies van Groot Klimmendaal door hem niet gevolgd worden. Appellant heeft de Raad nogmaals verzocht een revalidatiearts te benoemen voor nader medisch onderzoek.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad evenals de rechtbank niet gebleken. De Raad is van oordeel dat het door de onafhankelijke en onpartijdige deskundige Van Wensen verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest. De Raad overweegt in dit verband dat hem uit de reactie van

Van Wensen op het andersluidend oordeel van revalidatiearts Martina niet is gebleken dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Het oordeel van de deskundige bevestigt de bevindingen van het Uwv. Uit de in beroep overgelegde rapportages van Groot Klimmendaal en van de behandelend neuroloog is de Raad niet gebleken dat het Uwv met de ten aanzien van appellant vastgestelde beperkingen zijn belastbaarheid onvoldoende adequaat zou hebben weergegeven. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding, 13 juni 2005.

6.2. Gelet op het bovenstaande heeft de Raad geen aanleiding gezien om een revalidatiearts als deskundige te benoemen voor nader onderzoek.

6.3. Ook wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit schaart de Raad zich achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv afdoende heeft toegelicht dat de aan appellant voorgehouden functies passend zijn. Zo gezegd moet worden dat in de FML bij een enkel aspect een zogenoemde beperkende toelichting is opgenomen ziet de Raad in de arbeidskundige rapportages van 13 september 2005 en 15 februari 2007, in overeenstemming met jurisprudentie van de Raad te dezen (onder meer zijn uitspraak van 23 februari 2007, LJN AZ9153), genoegzaam toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant als passend kunnen worden aangemerkt.

6.4. Uit hetgeen is overwogen in 6.1 tot en met 6.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG