Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
06-5264 WAO + 08-3127 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Verweerschrift van betrokkene, ingediend binnen beroepstermijn aangemerkt als hoger beroepschrift. Arbeidskundige component van schatting niet aanmerken als een zelfstandig deelbesluit. Zorgvuldigheid en juistheid medische grondslag. Eerst in hoger beroep is een als genoegzaam aan te merken toelichting op de signaleringen gegeven. In rechtspraak geen steun voor het oordeel van de rechtbank dat toereikende transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van de schatting slechts kan worden bereikt als het Uwv een lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5264 WAO + 08/3127 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 augustus 2006, 06/679 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 13 mei 2008 heeft het Uwv een rapport van gelijke datum van een bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2008. Betrokkene is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het onderzoek ter zitting heeft wederom plaatsgevonden op 14 januari 2009. Betrokkene is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 26 juli 2005 heeft het Uwv de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 27 september 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 december 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 december 2005, hierna: het bestreden besluit, gegrond verklaard, het arbeidskundige gedeelte van dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen inzoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft voorts een beslissing gegeven over het griffierecht.

De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is, maar dat de arbeidskundige grondslag van dit besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, omdat het Uwv ten tijde van het bestreden besluit niet had zorg gedragen voor een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) dan wel een lijst met vermelding van zogenoemde normaalwaarden inclusief interpretatiekader.

4. Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd, kort weergegeven, dat het medisch onderzoek van het Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest, dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat een nieuw medisch onderzoek noodzakelijk is.

5. Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd, kort weergegeven, dat het aangepaste Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS), met door middel van een ‘M’, ‘G’ en ‘*’aangeduide signaleringen, rechtens aanvaardbaar moet worden geacht.

6. De Raad overweegt allereerst, ambtshalve, het volgende.

Naar aanleiding van het beroepschrift van het Uwv heeft betrokkene, binnen de beroepstermijn, een door hem als verweerschrift aangeduid geschrift bij de Raad ingediend. Ter zitting van de Raad van 27 mei 2008 heeft betrokkene aangegeven dat hij zijn verweerschrift als hoger beroepschrift aangemerkt wenst te zien. Naar de Raad heeft vastgesteld heeft betrokkene vervolgens het voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep verschuldigde griffierecht voldaan. De Raad is van oordeel dat, nu het door betrokkene ingediende geschrift overigens aan alle gestelde voorwaarden voor een ontvankelijk hoger beroep voldoet, betrokkene hoger beroep heeft ingesteld en hij daarin kan worden ontvangen. De Raad zal mitsdien over dit hoger beroep dienen te oordelen.

7. De Raad oordeelt voorts ambtshalve, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 mei 2008 (LJN BD1231), dat de arbeidskundige component van de schatting niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit en dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling derhalve ook niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat voor een gedeeltelijke vernietiging als door de rechtbank uitgesproken geen plaats is. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

8. Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep van betrokkene betrekking heeft op de medische grondslag van het bestreden besluit. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van betrokkene onzorgvuldig of onjuist heeft vastgesteld. Door betrokkene zijn in hoger beroep geen nadere medische stukken ingebracht die zouden kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. In het licht van het bovenstaande heeft de Raad geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige voor een nader medisch onderzoek van betrokkene.

9. Ten aanzien van de vraag of de aan betrokkene voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt zijn, overweegt de Raad dat door het CBBS bij diverse aspecten van de functies signaleringen zijn gegenereerd. De Raad stelt vast dat door het Uwv eerst in hoger beroep met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 mei 2008 een als genoegzaam aan te merken toelichting op de signaleringen is gegeven. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

De Raad wijst er voorts op dat hij in zijn uitspraak van 22 februari 2008 (LJN BC4826) heeft geoordeeld dat zijn rechtspraak geen steun biedt voor het oordeel van de rechtbank dat toereikende transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van de schatting slechts kan worden bereikt als het Uwv een lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader verstrekt.

Er bestaat dan ook aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

10. Gelet op het bovenstaande bestaat geen aanleiding meer om te oordelen over de hoger beroepsgronden van het Uwv.

11. Van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, en het bestreden besluit voor het overige in stand is gelaten;

Vernietigt het bestreden besluit geheel;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL