Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
26-02-2009
Zaaknummer
08-3215 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting. Het terugvorderingsbesluit is in rechte onaantastbaar geworden. Debiteurenbeleid; fraudevordering. Aflossingscapaciteit. Schuld. Ziektekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3215 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 april 2008, 07/1063 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder (hierna: College).

Datum uitspraak: 24 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door P.W. Mulder. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Maandag en Y. Liefers, beiden werkzaam bij de gemeente Noordoostpolder.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat in dit geding uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft bijstand ontvangen van 1 oktober 1998 tot 1 november 2001.

Bij besluit van 23 augustus 2002 heeft het College de bijstand herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 21 juli 1999 tot en met 31 oktober 2001 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 28.892,79 van haar teruggevorderd. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 2 september 2003 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 2 september 2003 geen beroep ingesteld.

1.2. Op basis van door appellante verstrekte informatie heeft het College bij besluit van 23 maart 2007 appellante een aflossingsverplichting opgelegd van € 200,-- per maand, ingaande 1 april 2007. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 29 mei 2007 ongegrond verklaard en een verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 29 mei 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard en daartoe in hoofdzaak overwogen:

“De gemeente Noordoostpolder heeft haar beleid inzake debiteuren vastgelegd in het Debiteurenbeleid WWB 2006. Ten aanzien van fraudevorderingen voert de gemeente het beleid dat op elke schuld minimaal 60 termijnen moeten worden afgelost, 36 x maximaal het voor beslag vatbare deel (inkomen boven 90% geldende bijstandsnorm) en 24 x 6% van de geldende bijstandsnorm + 50% van het meerinkomen. Daarnaast moet minimaal 20% van de totale schuld worden terugbetaald.

Naar het oordeel van de rechtbank blijft dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. In het bijzonder acht de rechtbank verweerders beleid dat bij het vaststellen van het af te lossen bedrag rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet van 90% van de bijstandsnorm niet in strijd is met de redelijkheid.

In het onderhavige geval is verweerder bij de vaststelling van het aflossingsbedrag uitgegaan van 6% van de voor eiseres geldende bijstandsnorm, in verband waarmee voor eiseres een beslagvrije voet van 94% van de bijstandsnorm resteert. Rekening is gehouden met extra woonlasten, extra premiekosten en bijzondere ziektekosten. Verweerder heeft aldus naar het oordeel van de rechtbank correct uitvoering gegeven aan haar beleid.

Eiseres heeft geen gegevens overgelegd waaruit zou moeten blijken dat bij de berekening van de aflossingscapaciteit van onjuiste gegevens is uitgegaan.

Met betrekking tot door eiseres genoemde kosten, zoals de kosten in verband met het lidmaatschap van de bond, de kosten van de uitvaartverzekering en de kosten in verband met het gebruik van de computer, volgt de rechtbank het oordeel van verweerder dat er sprake is van normale bestaanskosten welke eiseres geacht moet worden uit het ter beschikking staande inkomen te kunnen voldoen.

De door eiseres ter terechtzitting van de rechtbank aangegeven extra uitgaven in verband met een bril (lees: brillenglazen) aangeschaft in november 2007, medicijngebruik in december 2007, verhoging van ziektekostenpremie 2008 en een eigen bijdrage van € 150,--, betreffen kosten gemaakt na de vaststelling van het aflossingsbedrag in maart 2007. Met deze kosten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geen rekening gehouden.

Met betrekking tot de kosten van medicijnen en een bril (lees: brillenglazen) heeft verweerder in zijn reactie van 28 januari 2008 meegedeeld dat met deze kosten ook voor 2008 geen rekening kan worden gehouden omdat deze kosten (gedeeltelijk) onder de vergoeding van de zorgverzekering vallen. Ook met een verplichte eigen risico (algemene kosten) en/of vrijwillig eigenrisico, waarvoor eiseres zelf heeft gekozen kan verweerder geen rekening houden. Bovendien zijn het kosten die achteraf vastgesteld zouden kunnen worden. Er is in het geval van eiseres overigens rekening gehouden met een hoger dan gemiddelde zorgverzekeringspremie. De rechtbank sluit zich aan bij de reactie zoals weergegeven in de genoemde brief van 28 januari 2008.

Met betrekking tot de aflossing aan de Onderwijsbond heeft verweerder meegedeeld dat de schuld aan de Onderwijsbond is ontstaan na de vordering van de gemeente. Verweerder hoeft met deze schuld geen rekening te houden, aangezien verweerders vordering preferent is aan die van de Onderwijsbond, in verband waarmee de aflossing van de vordering van verweerder voorgaat.

De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat op grond van artikel 4:84 van de Awb van het beleid van verweerder ter zake wordt afgeweken.”

3. Appellante heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de rechtbank in dit geding terecht voorbij is gegaan aan al hetgeen appellante heeft gesteld omtrent de terugvordering, inclusief de terugvordering van bijzondere bijstand voor scholingskosten, nu appellante geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 2 september 2003 inzake de terugvordering. Dit heeft namelijk tot gevolg dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Deze constatering brengt mee dat de juistheid van de terugvordering niet door de bestuursrechter beoordeeld kan worden. In dit geding, dat naar aanleiding van het besluit van 23 maart 2007 is aangevangen, staat alleen ter beoordeling van de bestuursrechter:

(i) of het College met zijn Debiteurenbeleid WWB 2006 binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven en jegens appellante in overeenstemming met dit invorderingsbeleid heeft gehandeld en zo ja,

(ii) of er grond is voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in afwijking van zijn invorderingsbeleid geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.

4.2. Deze vragen zijn naar het oordeel van de Raad door de rechtbank juist beantwoord. Met de strekking van de hierboven weergegeven overwegingen kan worden ingestemd. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.

4.2.1. Uit de gedingstukken blijkt dat de terugvordering gebaseerd is op het door appellante niet nakomen van de in artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet neergelegde verplichting tot het verstrekken van inlichtingen, zoals vermeld in het besluit van 23 augustus 2002. Dat betekent dat hier het beleid van het College inzake invordering van zogeheten fraudevorderingen van toepassing is. De Raad kent in dit verband geen doorslaggevende betekenis toe aan het gegeven dat het Openbaar Ministerie heeft afgezien van het instellen van strafvervolging tegen appellante. Volgens vaste rechtspraak van de Raad gaat de bestuursrechter bij de beoordeling van de aan de orde zijnde rechtsvragen uit van een eigen vaststelling en waardering van de zich voordoende feiten en omstandigheden en is hij hierbij niet gebonden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie. Overigens wijst de Raad er in dit verband op dat blijkens de kennisgeving sepot van 22 september 2003 en de door appellante overgelegde brief van het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad van 24 maart 2004 is afgezien van vervolging omdat een bestuurlijk ingrijpen - waaronder wordt verstaan de terugvordering - de voorkeur verdient.

4.2.2. Verder merkt de Raad op dat hij in de door appellante overgelegde verklaring van de arts P.W. Mulder van 8 december 2007 en in hetgeen appellante overigens in haar hoger beroepschrift en ter zitting omtrent haar persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht onvoldoende grond ziet voor het oordeel dat het College van invordering had moeten afzien.

4.2.3. Er is evenmin grond voor de stelling dat in dit geval sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

4.2.4. Voor zover appellante ten slotte verwijst naar extra (ziekte)kosten die haar aandoening thans of in de toekomst met zich brengen tasten deze de rechtmatigheid van het door het College gehandhaafde besluit van 23 maart 2007 tot invordering van € 200,-- per maand ter aflossing van haar schuld aan het College niet aan. Wel kunnen deze kosten mogelijk reden zijn om een verzoek om aanpassing van het vastgestelde aflossingsbedrag bij het College in te dienen. Indien appellante daartoe overgaat is het aan haar om deze kosten (voor zover dat nog niet is gebeurd) met bewijsstukken nader te onderbouwen en vervolgens aan het College om de betekenis daarvan in het kader van zijn invorderingsbeleid te beoordelen.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad stelt vast dat het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten terecht is afgewezen, omdat niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 7:15 van de Awb is voldaan. Gezien het vorenstaande bestaat er evenmin aanleiding voor de door appellante verzochte vergoeding van het griffierecht en voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M. Pijper.

IJ