Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
26-02-2009
Zaaknummer
07-769 WAJONG + 07-2082 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bruto terugvordering Wajong-uitkering. Geen sprake van een bijzonder geval of een dringende reden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/769 WAJONG

07/2082 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 december 2006, 06/2374 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.M.W. Bongers, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 4 april 2007 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Y. van der Linden, kantoorgenoot van mr. Bongers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.G.T. Heijmans.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Bij brief van 12 november 2008 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord. Daarna hebben partijen toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 22 mei 1998 is aan appellante met ingang van 15 augustus 1997 een uitkering toegekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is per 1 januari 1998 voortgezet als uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

1.2. Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het Uwv beslist dat de Wajong-uitkering van appellante wegens inkomsten uit arbeid over de periode van 15 augustus 2000 tot 1 mei 2001 moet worden betaald als ware zij 65 tot 80% arbeidsongeschikt, alsmede vanaf 1 mei 2001 moet worden betaald als ware zij 45 tot 55% arbeidsongeschikt.

Tegen het besluit van 28 juni 2005 is geen bezwaar gemaakt.

2.1. Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft het Uwv met toepassing van artikel 55 van de Wajong van appellante een bedrag teruggevorderd van € 11.591,41 bruto ter zake van hetgeen als gevolg van het besluit van 28 juni 2005 onverschuldigd aan appellante was betaald over de periode van 15 augustus 2000 tot 1 juli 2005.

2.2. Bij besluit van 15 december 2005 heeft het Uwv ter invordering van het teruggevorderde bedrag vastgesteld dat appellante dit bedrag moet terugbetalen in maandelijkse termijnen van € 335,74, over een periode van 33 maanden.

2.3. Namens appellante heeft mr. Bongers bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 13 oktober 2005 en 15 december 2005. Bij besluit van 30 maart 2006 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2006 (het bestreden besluit) gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

De rechtbank heeft overwogen dat eerdergenoemd besluit van 28 juni 2005, waarbij de inkomsten van appellante zijn gekort op haar Wajong-uitkering, in rechte vaststaat en dat het Uwv verplicht is hetgeen als gevolg van het besluit van 28 juni 2005 onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen dringende redenen of bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien.

Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of er in de periode van 15 augustus 2000 tot 1 mei 2001 wel onverschuldigd is betaald. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook over de periode van 1 mei 2001 tot 1 juli 2005 niet met zekerheid worden uitgesloten dat het door het Uwv gestelde onverschuldigd betaalde bedrag feitelijk veel minder is. Om die reden heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een bijzonder geval of een dringende reden om van terugvordering af te zien. Daarbij heeft appellante erop gewezen dat zij jarenlang trouw de inlichtingenformulieren heeft ingevuld en opgestuurd aan het Uwv en dat het Uwv daarop veel te traag heeft gereageerd. Verder meent appellante dat het Uwv ook geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar haar feitelijke situatie. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen contact of overleg met haar heeft gehad voorafgaand aan de vaststelling van de termijnbedragen. Ten slotte heeft appellante gesteld dat terugvordering van het bruto bedrag onredelijk is, waarbij zij heeft verwezen naar beleid van het Uwv en een uitspraak van de Raad van 18 september 2007 (LJN BB6119).

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat het besluit van 28 juni 2005, waarin de inkomstenkorting is neergelegd, in rechte onaantastbaar is, nu daartegen geen bezwaar is gemaakt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het Uwv op grond van artikel 55 van de Wajong verplicht om hetgeen als gevolg van het besluit van 28 juni 2005 onverschuldigd is betaald, terug te vorderen.

5.2. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, vierde lid, van de Wajong. De door appellante gestelde omstandigheid dat zij steeds tijdig inlichtingen heeft verstrekt over haar inkomsten levert geen dringende reden op, evenmin als het gestelde trage handelen door het Uwv. In dit verband verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak, waaronder de door het Uwv in het verweerschrift genoemde uitspraken.

5.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat zich geen zodanig bijzonder geval voordoet dat terugvordering geen rechtsplicht meer kan zijn. Ook de Raad is niet gebleken van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke inlichtingen van de kant van het Uwv waaraan appellante het vertrouwen kon ontlenen dat de onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering niet zou worden teruggevorderd.

5.4. Anders dan appellante stelt, is er geen sprake van dat het Uwv voorafgaand aan de vaststelling van het maandelijkse termijnbedrag geen enkel contact of overleg heeft gehad met appellante. Bij brief van 18 november 2005 heeft het Uwv met het oog op de bepaling van het termijnbedrag appellante verzocht opgave te doen van haar sociale en financiële omstandigheden. Van die gelegenheid heeft appellante gebruik gemaakt, nu bij brief van 28 november 2005 van de maatschappelijk werker M. Rijsdijk namens appellante opgave is gedaan van de relevante omstandigheden, waaronder het feit dat appellante extra hoge kosten had wegens inrichting van haar nieuwe woonruimte. Het Uwv heeft blijkens de stukken met deze omstandigheden rekening gehouden bij de vaststelling van het termijnbedrag. Het beroep van appellante op de hardheidsclausule van artikel 14 van het Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering (Besluit van 6 juni 1996, Stcrt. 1996, 171, zoals nadien gewijzigd) kan niet slagen, omdat appellante geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van kennelijke hardheid als bedoeld in dat artikel.

5.5.1. Wat betreft de in hoger beroep naar voren gebrachte stelling van appellante dat terugvordering van het bruto bedrag onredelijk is, overweegt de Raad het volgende.

5.5.2. Het Uwv heeft in hoger beroep een memo overgelegd van 27 maart 2008, gericht aan medewerkers B&B, met als onderwerp “Klantgericht bruteren bij invordering”. Blijkens dat memo – kort weergegeven – gaat het Uwv niet over tot terugvordering van de loonheffing die is ingehouden op te veel betaalde uitkering, als het aan het Uwv te verwijten is dat betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om het netto te veel betaalde bedrag terug te betalen in het kalenderjaar waarin te veel betaald is. In dat geval kan volgens het memo bij het besluit op bezwaar de te veel betaalde loonheffing buiten invordering worden gesteld, ook in (nog) lopende bezwaar- en beroepsprocedures en ook met betrekking tot invordering van vóór 2007 te veel betaalde uitkering.

In eerdergenoemde brief van 12 november 2008 heeft het Uwv toegelicht dat het hier niet gaat om een bij besluit vastgestelde beleidsregel, maar om een vaste gedragslijn. Daarbij is ook aangegeven dat de gedragslijn nog onderwerp van discussie is binnen het Uwv.

5.5.3. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak terugvordering plaatsvindt van bruto te veel betaalde bedragen, indien de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. Dat is ook het uitgangspunt van de Beleidsregel terug- en invordering (Regeling van 31 maart 1999, Stcrt. 1999, 75, zoals gewijzigd bij Regeling van 21 maart 2001, Stcrt. 2001, 107). In de Beleidsregel terug- en invordering is in dit kader neergelegd dat met terugbetaling van het nettobedrag kan worden volstaan, als wordt terugbetaald binnen hetzelfde lopende belastingboekjaar als waarin de onverschuldigde betaling plaatsvond. Naar de Raad begrijpt, houdt genoemde vaste gedragslijn ten gunste van betrokkene in zoverre een uitzondering in op het uitgangspunt van de Beleidsregel terug- en invordering, dat ook van terug- dan wel invordering van de loonheffing wordt afgezien over het kalenderjaar waarin het Uwv heeft vastgesteld dat er teruggevorderd wordt, als het aan het Uwv te verwijten is dat betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om het netto te veel betaalde bedrag in dat jaar terug te betalen.

5.5.4. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad en in de brief van 12 november 2008 het standpunt ingenomen dat overeenkomstig de vaste gedragslijn is gehandeld. Daarbij heeft het Uwv gesteld dat op 24 oktober 2005 een acceptgiro is toegezonden aan appellante, waarmee zij in de gelegenheid is gesteld het netto te veel betaalde bedrag terug te betalen. Appellante heeft de juistheid van deze stelling niet betwist. Daarvan uitgaande, kan de Raad het Uwv volgen in het standpunt dat overeenkomstig de vaste gedragslijn is gehandeld. De Raad ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat terug- dan wel invordering van het brutobedrag in dit verband onrechtmatig is. De door appellante genoemde uitspraak van de Raad van 18 september 2007 kan niet tot een ander oordeel leiden, alleen al niet omdat die uitspraak betrekking heeft op de Wet werk en bijstand, waarin een bevoegdheid tot terugvordering is neergelegd en geen verplichting.

6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1 t/m 5.5.4 komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

7.1. Aangezien het hiervoor genoemde besluit van 4 april 2007, dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 april 2007.

7.2. Bij het besluit van 4 april 2007 heeft het Uwv aan de hand van een gespecificeerde berekening inzichtelijk uiteengezet welke bedragen feitelijk aan appellante zijn betaald in de periode van 15 augustus 2000 tot 1 juli 2005, welke bedragen hadden moeten worden betaald en hoe tot de terugvordering van het bedrag van € 11.591,41 (bruto) is gekomen. Appellante heeft de juistheid van de berekening van het Uwv niet betwist. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in het besluit van 4 april 2007 deugdelijk gemotiveerd hoe het terugvorderingsbedrag tot stand is gekomen en is op juiste wijze uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak.

7.3. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het beroep tegen het besluit van 4 april 2007 ongegrond is.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

MH