Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
06-6285 ZW + 07-5912 WAO + 08-266 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de ZW, de WAO en de TW . Niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Wetsverwijzingen
Toeslagenwet
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Ziektewet 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6285 ZW, 07/5912 WAO en 08/266 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Middelburg van 28 september 2006, 05/1068 (hierna: aangevallen uitspraak 1), en van 10 september 2007, 07/32 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A.C. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

De rechtbank heeft de Raad bij brief van 24 december 2007 in kennis gesteld van een rechtstreeks beroep tegen een besluit van het Uwv van 1 november 2007 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak 2, met het verzoek dit gezien het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over te nemen. Desgevraagd heeft het Uwv twee genomen nieuwe besluiten van 1 november 2007 ingezonden.

De Raad heeft partijen bericht dat vooralsnog is besloten om bij de behandeling van het geding onder nr. 07/5912 WAO tevens een oordeel te geven over het nadere besluit van 1 november 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Namens appellante is verschenen mr. Klein Hesselink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. van Loon.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sinds 1 mei 2000 voor 40 uur per week werkzaam bij [naam werkgever] (hierna: [werkgever]) als secretaris/secretaresse en is na een onderzoek door de rechtsvoorganger van het Uwv voor deze functie niet als verzekerd voor de sociale verzekeringswetten aangemerkt.

Daarnaast was zij in dienstbetrekking werkzaam als oproepkracht in de functie van vakkenvuller bij een supermarkt voor 16 uur per week.

1.2. In september 2001 heeft appellante zich ziek gemeld voor beide functies en kreeg een uitkering in gevolge van de Ziektewet (ZW) in verband met haar uitval als oproepkracht. Aansluitend is appellante met ingang van 18 september 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Die arbeidsongeschiktheidsuitkering is per 1 september 2003 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Appellante heeft zich op 3 mei 2004 wederom ziek gemeld voor haar werk bij [werkgever] en in verband daarmee is haar een uitkering ingevolge de ZW toegekend.

1.4. Na een opsporingsonderzoek van de zijde van het Uwv in verband met vermeende uitkeringsfraude door appellante is op 18 april 2005 een rapport werknemersfraude uitgebracht, waarvan de conclusie onder meer luidde, dat appellante voor haar werk bij [werkgever] (onverminderd) niet verzekerd was voor de ZW en dat zij in 2004 ten onrechte in verband met haar voormelde uitval bij dat bedrijf een ZW-uitkering had ontvangen.

1.5. In lijn hiermee heeft het Uwv bij besluit van 18 april 2005 appellante in verband met haar uitval op 3 mei 2004 alsnog een ZW-uitkering geweigerd omdat zij niet verzekerd was. Bij besluit van 31 mei 2005 is de als gevolg daarvan over de periode van 3 mei 2004 tot en met 26 september 2004 onverschuldigd betaalde ZW-uitkering ten bedrage van

€ 5.255,88 van appellante teruggevorderd. Tegen beide besluiten is bezwaar aangetekend.

Bij besluit van 13 september 2005 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

1.6. Lopende dit bezwaar heeft het Uwv onderkend dat ook de toekenning van WAO-uitkering per 18 september 2002, voor zover mede gebaseerd op de uitval bij [werkgever], onterecht was. Dit heeft geresulteerd in een rapport werknemersfraude van 19 september 2005, met als conclusie dat appellante voor dat werk niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen en ten gevolge daarvan vanaf 18 september 2002 geen recht had op een WAO-uitkering, voor zover deze mede was ontleend aan haar uitval bij [werkgever], en mogelijk geen recht had op een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW).

1.7. Uitgaande van de functionele mogelijkheden van appellante heeft de arbeidsdeskundige door middel van het Claimbeoordelings en Borgings- systeem passende functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante voor de WAO, enkel gebaseerd op haar voor die wet verzekerde werk als vakkenvuller, in zijn rapport van 1 november 2005 met ingang van 18 september 2002 vastgesteld op minder dan 15%.

1.8. Bij besluit van 21 november 2005 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante voor de WAO op 18 september 2002 vastgesteld op minder dan 15%. Bij brief van 21 november 2005 is het eerdere besluit van 8 oktober 2002 tot toekenning van een WAO-uitkering aan appellante met ingang van 17 september 2002 ingetrokken. Bij besluit van 22 november 2005 heeft het Uwv de als gevolg hiervan over de periode van 18 september 2002 tot en met 30 september 2005 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de WAO en de TW tot een bedrag van € 15.209,33 van appellante teruggevorderd. Met een tweede besluit van 22 november 2005 heeft het Uwv een aanvraag om een uitkering ingevolge de WAO in verband met sedert 17 november 2004 ingetreden arbeidsongeschiktheid afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 11 december 2006 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat tussen partijen niet langer in geschil is dat appellante op grond van haar arbeidsrelatie tot [werkgever] niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat daaruit volgt dat appellante met ingang van 3 mei 2004 geen recht had op een uitkering ingevolge de ZW en dat aan appellante ten onrechte ziekengeld is betaald. De rechtbank heeft de besluiten van 18 april 2005 en 31 mei 2005 aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 30a van de ZW en heeft overwogen dat er daarmee een voldoende basis is voor een terugvordering. Vervolgens heeft de rechtbank aangegeven, dat van appellante, anders dan appellante aanvoerde, op grond van artikel 33 van de ZW het onverschuldigd betaalde kon worden teruggevorderd en dat er geen dringende redenen waren om daarvan af te zien. Nu ter zitting namens het Uwv was aangegeven dat over de periode van 3 mei 2004 tot 1 juni 2004 een uitbetaling aan appellante op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidwet had plaatsgevonden heeft de rechtbank overwogen dat in artikel 33 van de ZW geen basis kan worden gevonden tot intrekking en terugvordering over deze periode. De rechtbank heeft in zoverre het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit 1 vernietigd, met bepalingen over proceskosten en griffierecht.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank met verwijzing naar de aangevallen uitspraak 1 allereerst overwogen, dat in rechte vaststaat dat appellante niet verzekerd was voor de sociale verzekeringswetten. De rechtbank heeft ten aanzien van de herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 18 september 2002 geoordeeld dat deze op een toereikende grondslag berust en dat, anders dan namens appellante is bepleit, het Uwv bij de schatting terecht niet de combineerbaarheid van de geselecteerde functies met de werkzaamheden van appellante bij [werkgever] heeft betrokken omdat het werk betrof waarvoor appellante niet verzekerd was. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat appellante over de periode van 18 september 2002 tot en met 30 september 2005 geen recht heeft op een WAO-uitkering en dat sprake is van onverschuldigde verstrekking van WAO-uitkering. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat er geen dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Nu echter het besluit van 22 november 2005 mede ziet op terugvording van hetgeen aan uitkering ingevolge de TW onverschuldigd is betaald terwijl daarvoor geen wettelijke grondslag in dit besluit is vermeld en ook geen herzieningsbesluit inzake de toegekende toeslag is genomen, heeft de rechtbank het beroep in zoverre gegrond verklaard en het bestreden besluit 2 in zoverre vernietigd, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht.

06/6285 ZW

3. Namens appellante is in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv de terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld kon baseren op het bepaalde in artikel 33 van de ZW en dat er geen sprake was van dringende redenen om af te zien van terugvordering.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Ten aanzien van de grief dat van appellante niet op grond van artikel 33 van de ZW, zoals dit ten tijde in geding luidde, kon worden teruggevorderd nu in dit artikel is aangegeven dat wordt teruggevorderd van de ”betrokken verzekerde” en appellante nu juist als niet-verzekerd voor de ZW is aangemerkt heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 het navolgende overwogen:

“De rechtbank kan zich met deze uitleg van artikel 33 niet verenigen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de Memorie van Toelichting bij artikel 33 van de ZW, zoals dit artikel luidde tot 29 december 2005, (TK 1994-1995, 23 909, nr 3, pag 67) voldoende dat artikel 33 ziet op situaties waarin een uitkeringsrelatie bestaat of heeft bestaan en dat alleen bij terugvordering van een willekeurige derde (bijvoorbeeld bij storting op een onjuist rekeningnummer) de civielrechtelijke weg dient te worden bewandeld.

Impliciet volgt voorgaande naar het oordeel van de rechtbank ook uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). In geval van terugvordering vanwege niet-verzekering heeft de CRvB nimmer aanleiding gezien om te oordelen dat de terugvordering niet op grond van artikel 33 van de ZW zou kunnen geschieden, omdat de betrokkene niet verzekerd is (geweest).”

Mede in aanmerking genomen dat daartegen in hoger beroep niets nieuws is aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten om dit oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden.

4.2. Ten aanzien van de vraag of er sprake is van dringende redenen om van terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering af te zien komt de Raad niet tot een andere beantwoording dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1. De Raad voegt daar in reactie op hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht nog aan toe dat mogelijke fouten van het Uwv niet aan terugvordering in de weg staan. De wet verplicht het Uwv om onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen, tenzij sprake is van een dringende reden. Van zo’n dringende reden is sprake als het gevolg van de terugvordering voor de betrokkene onaanvaardbaar is. Daarvan is de Raad niet gebleken.

4.3. De rechtbank heeft aanleiding gezien tot een gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep, en wel voor zover de terugvordering ziet op hetgeen over de periode van 3 mei 2004 tot 1 juni 2004 onverschuldigd op grond van hoofdstuk IV van de WW aan appellante is betaald. In reactie op een vraagstelling en ter zitting van de Raad heeft het Uwv een nadere toelichting gegeven op de aard en omvang van de terugvordering en daarbij aangegeven dat de totale terugvordering zich had dienen te beperken tot hetgeen over de periode van 1 juni 2004 tot en met 26 september 2004 tot een bedrag van € 4.076,05 (5255,88 minus 1188,83) onverschuldigd aan ziekengeld is verstrekt.

4.4. Nu het Uwv echter in het bij bestreden besluit 1 gehandhaafde terugvorderingsbesluit van 31 mei 2005 wat betreft de hoogte van de terugvordering geen splitsing heeft gemaakt tussen het deel van de terugvordering dat betrekking heeft op de ZW en het deel dat betrekking heeft op de WW en de rechtbank desondanks is overgegaan tot een gedeeltelijke gegrondverklaring zonder daarbij een resterend terugvorderingsbedrag voor de ZW te vermelden, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak in zoverre en het bestreden besluit 1 voor zover dit ziet op de terugvordering in haar geheel te vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van art. 8:72, vierde lid, van de Awb de terugvordering van hetgeen over de periode van 1 juni 2004 tot en met september 2004 onverschuldigd aan ziekengeld is betaald vast te stellen op € 4.076,05.

4.5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

07/5912 WAO

5. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd, dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% per 18 september 2002 geen rekening is gehouden met haar werk bij [werkgever]. Voorts is gesteld dat de terugwerkende kracht die aan de intrekking van de WAO-uitkering is gegeven in strijd is met de rechtszekerheid. Tot slot is naar voren gebracht dat er wel degelijk sprake is van dringende redenen om van terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering af te zien.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ten aanzien van de schatting voor de WAO per 18 september 2002 verenigt de Raad zich met het standpunt van het Uwv, dat de eisen die aan het realiteitsgehalte van de schatting moeten worden gesteld niet zover voeren dat ook rekening zou moeten worden gehouden met de mogelijkheid om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te kunnen combineren met de feitelijk verrichte arbeid. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van 24 november 2006, LJN AZ3492. De Raad laat daarbij meewegen dat appellante, zo volgt uit het arbeidskundig rapport van 23 september 2002, haar voor de WAO maatgevende werk, dat zij meestal op zaterdag en zondag en één of twee avonden verrichtte, ook wel overdag verrichtte als er bij [werkgever] weinig werk was. De Raad acht daarbij onvoldoende grond aanwezig om aan te nemen dat door de combinatie van de twee door appellante vervulde functies de grenzen van een normale dagtaak zouden zijn overschreden.

6.2. Met betrekking tot de vraag of de door het Uwv aan zijn besluitvorming in het kader van de WAO gegeven terugwerkende kracht in strijd moet worden geacht met de rechtszekerheid overweegt de Raad als volgt. De Raad is van oordeel dat appellante de op haar rustende informatieplicht niet is nagekomen en dat het haar redelijkerwijs duidelijk was, althans redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij geen recht had op een uitkering ingevolge de WAO, voor zover die mede gebaseerd was op haar werkzaamheden bij [werkgever]. De Raad maakt uit het buitendienstrapport van 9 oktober 2000 van de inspecteur W.P. Mahu van het GAK Nederland BV op, dat deze inspecteur appellante in een persoonlijk onderhoud op 5 oktober 2000 in kennis heeft gesteld van zijn conclusie, dat appellante wegens het ontbreken van de noodzakelijke gezagsverhouding onder meer voor de WAO niet als verzekerd kon worden aangemerkt.

6.3. Appellante heeft door het indienen van een aanvraag voor een WAO-uitkering in verband met haar uitval voor het (niet voor de WAO verzekerde) werk bij [werkgever] onjuiste informatie verschaft, waardoor het haar redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij geen recht had op die uitkering die voornamelijk was gebaseerd op die uitval. Dat het Uwv dit ook zelf eerder had kunnen onderkennen maakt dit naar het oordeel van de Raad niet anders.

6.4. Onder deze omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding de intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht tot 18 september 2002 in strijd met de rechtszekerheid te achten.

6.5. Ten aanzien van de vraag of er sprake is van dringende redenen om van terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering af te zien komt de Raad, niet tot een andere beantwoording dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2.

6.6. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe. De Raad is van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 terecht heeft vastgesteld, dat het besluit van 22 november 2005 tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering mede ziet op hetgeen aan uitkering ingevolge de TW onverschuldigd aan appellante is verstrekt terwijl in dit besluit daarvoor geen wettelijke grondslag is opgenomen en dat het Uwv ter zitting heeft verklaard dat ook geen herzieningsbesluit inzake de toegekende toeslag is genomen. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het bestreden besluit 2 een wettelijke grondslag ontbeert voor zover het betreft de terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag ingevolge de TW. De rechtbank heeft het bestreden besluit in zoverre terecht vernietigd.

6.7. Nu het Uwv echter in het bij bestreden besluit 2 gehandhaafde terugvorderingsbesluit van 22 november 2005 wat betreft de hoogte van de terugvordering geen splitsing heeft gemaakt tussen het deel van de terugvordering dat betrekking heeft op de WAO en het deel dat betrekking heeft op de TW en de rechtbank desondanks is overgegaan tot een gedeeltelijke gegrondverklaring zonder daarbij een resterend terugvorderingsbedrag voor de WAO te vermelden, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak in zoverre en het bestreden besluit 2 wat betreft de terugvordering in haar geheel te vernietigen.

6.8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

08/266 WAO

7.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak 2 heeft het Uwv op 1 november 2007 twee nieuwe besluiten genomen.

In het besluit van die datum ter uitvoering van de TW heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 28 april 2004 geen recht meer had op een uitkering ingevolge de TW. Dit besluit wordt door appellante niet bestreden.

In het besluit van 1 november 2007 ter uitvoering van de WAO en de TW heeft het Uwv de aan appellante onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering over de periode van 18 september 2002 tot en met 30 september 2005 tot een bedrag van € 11.270,55 en onverschuldigd verstrekte toeslag over de periode van 28 april 2004 tot en met 30 september 2005 ad € 4.810,02 van appellante teruggevorderd.

7.2. Namens appellante is ten aanzien van laatstgenoemd besluit naar voren gebracht dat hetgeen tegen de aangevallen uitspraak 2 is aangevoerd hier onverkort geldt.

8.1. De Raad ziet aanleiding om de bezwaren van appellante tegen laatstgenoemd (terugvorderings)besluit op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb in de beoordeling te betrekken en is van oordeel, dat het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van

1 november 2007 nu daarin niet geheel is tegemoet gekomen aan het beroep van appellante.

8.2. De Raad ziet, gelet op hetgeen onder 6.5 en 6.6 ten aanzien van de terugvordering is overwogen, geen aanknopingspunten om het besluit van 1 november 2007 rechtens voor onjuist te houden. Het beroep, voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen dit besluit van 1 november 2007, wordt ongegrond verklaard.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit 1 heeft vernietigd;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond voor zover dit ziet op de terugvordering;

Vernietigt het bestreden besluit 1 voor zover dit ziet op de terugvordering;

Stelt vast dat appellante ter zake van door het Uwv aan haar over de periode van 1 juni 2004 tot en met 26 september 2004 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de ZW een bedrag van € 4.076,05 aan het Uwv verschuldigd is;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 483,- -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,- - vergoedt;

Vernietigt de aangevallen uitspraak 2 voor zover betrekking hebbend op de terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond voor zover dit ziet op de terugvordering;

Vernietigt het bestreden besluit 2 voor zover dit ziet op de terugvordering;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2 voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 483,- -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 106,- - vergoedt;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 november 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.F. Bandringa en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) J.M. Tason Avila.

JL