Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
26-02-2009
Zaaknummer
06-6928 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAJONG-uitkering. Onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft vastgesteld. Juiste vaststelling medische beperkingen. Geen reden om de geschiktheid van appellante voor de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies in twijfel te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6928 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 oktober 2006, 06/729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 juni 2007 heeft mr. R.J. Skála, advocaat te Haren, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Namens appellante zijn medische stukken overgelegd.

Namens het Uwv heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Skála, voornoemd. Het Uwv heeft zich – met voorafgaand bericht – niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 5 september 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 november 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 25% was.

1.2. Bij besluit van 13 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 5 september 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellantes medische beperkingen tot het verrichten van arbeid door het Uwv juist zijn vastgesteld. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank, in navolging van de (bezwaar)arbeidsdeskundige, van oordeel dat appellante, rekening houdend met haar beperkingen, met ingang van de in geding zijnde datum in staat is gangbare arbeid te verrichten.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen, met name ten aanzien van hand- en vingergebruik, en dat er ten onrechte geen urenbeperking is gehanteerd.

4.1. Ter beoordeling staat thans de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

4.2. De Raad heeft, evenals de rechtbank, onvoldoende aanknopingspunten in objectief-medische zin gevonden voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft vastgesteld. De Raad overweegt dat de verzekeringsarts H.A.M. Gerdes appellante op 17 juni 2005 op het spreekuur heeft gezien, nadat het Academisch Centrum voor Arbeid en Gezondheid (ACAG) te Groningen op 14 februari 2005 een rapportage arbeidsexpertise over haar had uitgebracht. Volgens Gerdes blijkt uit die rapportage dat bij appellante sprake is van chronische klachten van vermoeidheid waarvoor geen goede verklaring is en een laag-normale fysieke belastbaarheid die appellante ten minste in staat stelt licht werk te verrichten. Gerdes concludeert in zijn rapportage van 21 juni 2005 dat appellante beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden, maar beperkingen heeft ten opzichte van normaal functioneren. Deze beperkingen hebben betrekking op een aantal dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Met inachtneming van het vorenstaande heeft Gerdes een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van eveneens 21 juni 2005 opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C.G.M. Reimert op 31 augustus 2005 rapport uitgebracht. Reimert is tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt kan worden geacht voor drie functies die via het zogenoemde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) werden geselecteerd, te weten schadebehandelaar (Sbc-code 516080), monsternaaier/controleur (Sbc-code 272042) en telefonist taxicentrale (Sbc-code 315120). Op basis van deze functies heeft Reimert de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid berekend op 0%.

4.3. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Colijn, voorafgaande aan de op 11 januari 2006 gehouden hoorzitting, de belastbaarheid van appellante opnieuw in kaart gebracht. Colijn heeft, zoals blijkt uit diens rapport van 7 november 2005, de al aanwezige stukken bestudeerd. Samenvattend is hij van mening dat er een compleet, zorgvuldig en duidelijk beeld van de problematiek en de belastbaarheid van appellante wordt geschetst en dat er geen sprake is van nieuwe medische gegevens. Hij ziet dan ook geen aanleiding appellante op te roepen voor aanvullend onderzoek en concludeert dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de primaire beoordeling. Na even- genoemde hoorzitting - waarbij hij zelf niet aanwezig was - heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Laros, zoals blijkt uit diens rapport van 7 februari 2006, het dossier, waaronder de rapportage van Colijn, alsmede de ter hoorzitting door de voormalige gemachtigde van appellante overgelegde stukken bestudeerd. Naar aanleiding daarvan concludeert ook Laros dat er geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gebracht die een ander licht op de beoordeling zouden kunnen geven. De in hoger beroep namens appellante overgelegde informatie van de huisarts G.J.A. Hopster van 30 januari 2003, van de gynaecoloog dr. Y.S. Kurniawan van 16 november 2000, van de psycholoog K. Folkers van 13 september 2004 en van Ergoadvies Zwolle van 6 juli 2005 bevat, zoals de bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen naar het oordeel van de Raad met juistheid in zijn rapportage van 17 december 2008 opmerkt, over de lichamelijke gesteldheid van appellante en de behandeling daarvan ten tijde van de in geding zijnde datum van 6 november 2005 geen andere informatie dan reeds bij het Uwv bekend was. De Raad volgt Van Wageningen voorts in diens goed beargumenteerde vaststelling dat de in de voor appellante geldende FML vastgelegde medische beperkingen in overeenstemming zijn met de uitslagen van het multidisciplinaire en op arbeid en arbeidsbeperkingen gespecialiseerde onderzoek van het ACAG.

4.4. Met betrekking tot de eveneens in hoger beroep in geding gebrachte informatie van de gynaecoloog dr. Y.S. Kurniawan van 18 december 2007, van de internist endocrinoloog dr. K. Hoogenberg van 27 november 2007, van de neuroloog M.G. Smits van 25 juni 2007, van J. Zwanenburg van 9 juli 2007, van de huisarts J.J. Theunissen-Vogelaar van 31 juli 2007, van 5 oktober 2007 en van 15 oktober 2007, van de arts L.P.M. Bos van 19 november 2007 en van de CVS/ME-helpdesk van 30 januari 2008 overweegt de Raad dat deze niet ziet op de in geding zijnde datum van 6 november 2005. De subjectieve klachtenbeleving van appellante kan bij de toepassing van de Wajong geen toereikende basis vormen voor het oordeel dat haar medische beperkingen door het Uwv zouden zijn onderschat.

4.5. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd, met de rechtbank, geen reden om de geschiktheid van appellante voor de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies in twijfel te trekken.

4.6. Met betrekking tot de namens appellante aangevoerde grief dat de knijpkracht in haar handen, blijkens bovenvermelde rapportage van het ACAG, zeer laag is en dat daarmede bij het voorhouden van functies door het Uwv ten onrechte geen rekening is gehouden, overweegt de Raad dat in de functiebelasting van de geduide functies, zoals blijkend uit het zogeheten Resultaat functiebeoordeling van 30 augustus 2005, geen sprake is van signaleringen op het item 4.3 (hand- en vingergebruik). De Raad heeft geen aanknopingspunten het oordeel van Van Wageningen op dit punt, zoals blijkend uit diens rapportage van 8 februari 2007, voor onjuist te houden.

5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG