Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4018

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
27-02-2009
Zaaknummer
06-1465 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De Raad heeft aanleiding gezien om een eigen deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat de voorgehouden functies voor betrokkene niet medisch geschikt zijn te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1465 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 januari 2006, 05/634 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P. Bouma, advocaat te Steenwijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 1 en 16 mei 2007 heeft de gemachtigde van appellante nadere medische stukken ingediend. Hierop heeft het Uwv gereageerd door inzending van de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen van 9 en 17 juli 2007.

Bij brief van 25 april 2008 heeft de gemachtigde van appellante andermaal nadere medische stukken ingediend. Hierop heeft het Uwv op 7 mei 2008 gereageerd door overlegging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts A. Laros van 6 mei 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 mei 2008.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen.

Het onderzoek is ter zitting geschorst. Daarbij is aan partijen meegedeeld dat het onderzoek zal worden hervat door benoeming van een deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De Raad heeft op 17 juni 2008 de psychiater prof.dr. G.F. Koerselman benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De deskundige heeft bij rapport van 3 november 2008 verslag van zijn onderzoek uitgebracht.

Namens het Uwv heeft bezwaarverzekeringsarts A. Laros op 17 november 2008 een reactie gegeven op de rapportage van Koerselman.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 16 december 2008 - met bijlagen, waaronder een brief van de behandelend psychiater H. Jordan van 12 december 2008 - haar zienswijze uitgebracht op het verslag van de deskundige. Namens het Uwv heeft Laros met een rapport van 9 januari 2009 gereageerd op de zienswijze van appellante.

Partijen hebben toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als koerier/besteller toen zij zich op 10 maart 1998 ziek meldde met psychische klachten. Appellante kreeg met ingang van 9 maart 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is na een heronderzoek in april 2002 ongewijzigd voortgezet.

2.1. Appellante is op 17 februari 2004 in het kader van een herbeoordeling onderzocht door de arts I.M.J. Prinsen. In het rapport van dit onderzoek van 23 februari 2004 maakte Prinsen melding van een vitale depressie in het Ziektewetjaar, welke was gerelateerd aan ernstige affectieve tekortkomingen in haar jeugd. Bij de anamnese meldde appellante geen psychische klachten en bij het psychisch onderzoek nam Prinsen geen kenmerken van een stemmings- of depressieve stoornis waar. Bij het lichamelijk onderzoek stelde Prinsen geringe afwijkingen vast. Prinsen achtte appellante belastbaar voor halve dagen fysiek niet te zware activiteiten. Daarbij gaf hij aan vooralsnog deze urenbeperking te hanteren op lichamelijk energetische gronden. Zijn bevindingen legde Prinsen vast in een Funtionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 februari 2004. In de van de behandelend reumatoloog ontvangen informatie van 10 maart 2004 zag Prinsen blijkens een aanvullend rapport van 30 maart 2004 geen aanleiding tot wijziging van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat het verlies van verdienvermogen 35,6% bedroeg. Dienovereenkomstig herzag het Uwv bij besluit van 5 oktober 2004 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 5 december 2004 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.2. In de bezwaarprocedure ontving de bezwaarverzekeringsarts A. Colijn informatie van de revalidatiearts C.H. Emmelot van 21 januari 2005 en de klinisch psycholoog E.J. Erftemeijer van 7 maart 2005. In een rapport van 9 februari/17 maart 2005 gaf Colijn aan dat het beeld bij zijn spreekuur op 17 januari 2005 overeenkwam met het onderzoek van Prinsen en de informatie van Emmelot. Voorts motiveerde Colijn waarom in dit geval bij de diagnose fybromyalgie de in de FML vastgestelde beperkingen en een urenbeperking voldoende konden worden geacht.

Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 22 maart 2005 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 oktober 2004 ongegrond.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 22 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit), waarin zij zich in het bijzonder keerde tegen de voor haar vastgestelde belastbaarheid, ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank onderschreef – kort gezegd – de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Daarbij wees de rechtbank erop dat de informatie van de behandelend sector, waarin sprake was van de diagnose fybromyalgie, niet tevens inhield de opvatting dat appellante in het geheel niet tot werkzaamheden in staat was.

4.1. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante in eerste instantie haar in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Voorts is in hoger beroep in het bijzonder aandacht gevraagd voor informatie van de psychiater H. Jordan van 10 mei 2007, die appellante sinds 26 april 2006 behandelde en als diagnosen stelde een chronisch matige depressieve stoornis, een chronische posttraumatische stresstoornis en een pijnstoornis, gebonden aan psychische factoren.

4.2. In haar in rubriek I van deze uitspraak vermelde reactie van 9 juli 2007 zag bezwaarverzekeringsarts S.G. van Wageningen geen aanleiding om in verband met de in hoger beroep overgelegde informatie, waaronder de in 4.1 vermelde brief van Jordan, af te wijken van de voor appellante vastgestelde FML.

5.1. De Raad heeft in de op 25 april 2008 namens appellante ingezonden informatie en het verhandelde ter zitting aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te schorsen en de in rubriek I van deze uitspraak vermelde psychiater Koerselman te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek.

5.2. In zijn rapport van 3 november 2008 heeft Koerselman aangegeven dat bij zijn onderzoek de stemming normofoor was, zonder tekenen van depressie, angst of inadequate euforie en dat hij geen wezenlijk verschil zag tussen de bevindingen van Prinsen en de bevindingen van zijn eigen huidige onderzoek. Voorts stelde Koerselman dat het feit dat, naast de aan de diagnose fybromyalgie gerelateerde urenbeperking, ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante niet meer beperkingen zijn aangenomen dan een beperking ten aanzien van deadlines en productiepieken, aansluit aan de afwezigheid van psychische klachten op de datum in geding. Verder heeft Koerselman, ingaande op de informatie van Jordan, aangegeven dat de bij het begin van diens behandeling mogelijk aanwezige depressieve verschijnselen zouden kunnen samenhangen met het overlijden van de moeder van betrokkene in de behandelperiode. Daarnaast gaf Koerselman aan geen aanwijzingen te hebben dat de posttraumatische stressklachten van appellante, aan het bestaan waarvan hij op zichzelf overigens niet twijfelde, op de datum in geding tot verdergaande beperkingen dienden te leiden dan Prinsen had aangenomen. Ook in de door Jordan vermelde pijnklachten zag Koerselman, gezien de gestelde beperkingen in de FML, geen aanleiding tot verdergaande beperkingen, terwijl hij er wat betreft de vermoeidheidsklachten op de datum in geding, welke mogelijk in verband met nachtmerries stonden, op wees dat daarin was voorzien door de door Prinsen vastgestelde urenbeperking. Koerselman concludeerde ten slotte dat hij zich kon verenigen met de voor appellante in de FML vastgelegde beperkingen.

5.3.1. De Raad stelt voorop dat in zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

5.3.2. De Raad heeft in het bijzonder in de van de zijde van appellante gegeven zienswijze op het verslag van Koerselman met de daarbij gevoegde reactie van Jordan van 12 december 2008 geen aanleiding gezien af te wijken van zijn in 5.3.1 weergegeven uitgangspunt. Hij overweegt daartoe dat de gemachtigde van appellante zelf heeft aangegeven dat volgens haar de bevindingen van Koerselman en Jordan niet heel veel van elkaar verschillen, maar dat volgens Jordan op de datum in geding wel psychische klachten aanwezig zouden zijn. In de reactie van Jordan komt met name een nadere onderbouwing naar voren van zijn visie op appellante zonder dat wordt aangegeven op welke onderdelen de FML tekortschiet. Gelet hierop en op de door Koerselman, mede aan de hand van de bevindingen van Prinsen bij diens onderzoek, gegeven motivering voor de op de datum in geding voor appellante geldende beperkingen, ziet de Raad in de reacties van de gemachtigde van appellante en Jordan geen aanknopingspunten de door Prinsen vastgestelde en door Colijn in de bezwaarprocedure onderschreven FML voor onjuist te houden.

5.4. Van de zijde van appellante zijn geen afzonderlijke gronden ingebracht tegen de motivering van de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies. Ook de Raad heeft in de beschikbare gegevens, evenals de rechtbank, geen aanknopingspunten gezien, deze functies voor appellante niet medisch geschikt te achten.

5.5. Uit de overwegingen 5.2 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

CVG