Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH3889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2009
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
07-32 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Amber-behoordeling. De Raad constateert dat de psychische beperkingen van appellant niet voortkomen uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid voortkwam ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten. De namens appellant gestelde toename van zijn psychische beperkingen na 1 mei 1992 kan bij de beslissing op het onderhavige verzoek om een arbeidsongeschiktheidsuitkering dan ook geen rol spelen. De Raad oordeelt dat niet anders kan worden geoordeeld dan dat de maag- en darmklachten, zoals ze naar voren komen uit de diverse stukken, vóór en na 1 mei 1992 niet veranderd zijn. Dat betekent tevens dat niet kan worden gezegd dat de beperkingen ten gevolge van deze klachten na 1 mei 1992 zijn toegenomen. Zorgvuldig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/32 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2006, 05/3856 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 5 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2008. Voor appellant is verschenen mr. Van den Brom voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmaar.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als tuinarbeider, is op 12 juli 1989 uitgevallen wegens maagklachten. Appellant is per 26 maart 1990 hersteld verklaard. Volgens de verzekeringsarts J.J.W. Witjes is daarbij expliciet aandacht besteed aan een mogelijke psychische problematiek. Deze is echter niet aangetoond en ook anamnetisch waren hiervoor geen aanwijzingen. Appellant heeft de hersteldverklaring in rechte aangevochten.

Op verzoek van de Raad van Beroep te Rotterdam is appellant onderzocht door de internist M. van Blankenstein. Van Blankenstein ziet bij gastroscopie de resten van een nog niet geheel genezen zweer in de twaalfvingerige darm. Hij acht appellant ten tijde van zijn onderzoek nog arbeidsongeschikt. Hij beveelt onderzoek door een psychiater aan. Op verzoek van de Raad van Beroep wordt appellant vervolgens onderzocht door de psychiater J.B. Bakker. Blijkens diens rapport, gedateerd 13 december 1990, zijn er geen psychiatrische gronden om appellant op en na 26 maart 1990 ongeschikt te achten voor zijn werk als tuinarbeider. Na kennisneming van het rapport van Bakker laat Van Blankenstein de Raad van Beroep desgevraagd weten dat hij zijn advies handhaaft dat appellants arbeidsongeschiktheid eindigt op het moment dat de behandelende sector het ulcus duodeni voor genezen verklaart. Het beroep wordt bij beschikking van 27 februari 1991 gegrond verklaard.

Op verzoek van de verzekeringsarts Witjes is appellant onderzocht door de internist H.M. Frodl-Hogeweg. Blijkens haar rapportage van 21 juni 1991 worden bij psychisch onderzoek geen afwijkingen vastgesteld. Bij gastroduodenoscopie worden geen afwijkingen gevonden. Er is geen actief ulcus waarneembaar. Betrokkene kan zijn werk in de tuinbouw hervatten.

Op 11 oktober 1991 wordt appellant gezien door de verzekeringsarts M. Landheer. Landheer constateert dat geen psychopathologie kon worden aangetoond. Er is geen sprake meer van een actief ulcus. Huidige klachten betreffen zuurbranden en duizeligheidsklachten gepaard gaande met hoofdpijn en oorsuizen. Er is sprake van een stationaire toestand. Landheer stelt een belastbaarheidspatroon op. Hij acht appellant geschikt voor passende arbeid. De arbeidsdeskundige A. van Mastrigt concludeert blijkens een rapportage van 13 december 1991 dat appellant per toekomende datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 6 februari 1992 zijn aan appellant met ingang van 11 juli 1990 uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 7 februari 1992 zijn die uitkeringen per 1 mei 1992 ingetrokken. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Appellant is teruggekeerd naar Marokko waar hij zich onder controle heeft gesteld van de Caisse National de Sécurité Sociale (CNSS). In een MN 116 formulier opgemaakt op 18 maart 1992 wordt aangegeven dat appellant in de periode van 27 februari 1992 tot 12 maart 1992 in het ziekenhuis is opgenomen. Als bevindingen van het medisch onderzoek worden vermeld de maagklachten en ´un état dépressif´. Bij een onderzoek op 27 april 1992 worden alleen de maagklachten benoemd. Het dossier bevat voor de periode daarna een groot aantal medische stukken die allemaal hetzelfde beeld te zien geven. De maagklachten persisteren en er is sprake van ´un état depressif´. Dit geldt ook voor het op 8 september 1993 door de CNSS-arts Dr. D. Guennoun verrichte onderzoek en het in dat kader opgemaakte formulier MN 213.

In de beroepsprocedure tegen het besluit van 7 februari 1992 heeft de rechtbank advies ingewonnen aan de internist M. van Blankenstein. Van Blankenstein, die appellant niet zelf heeft kunnen onderzoeken, concludeert dat op grond van de bevindingen in het verleden niet kan worden geconcludeerd dat appellant per 1 mei 1992 arbeidsongeschikt zou zijn. De zweer in de twaalfvingerige darm levert geen grond op voor arbeidsverzuim of verminderde validiteit, terwijl er ook geen psychopathologie is gevonden. Gezien de gegevens van de CNSS concludeert hij dat appellant dezelfde klachten heeft als destijds in Nederland. Nu de CNSS appellant deswege arbeidsongeschikt acht zijn er geen overwegende redenen om deze opinie, die hij slechts marginaal kan toetsen, te weerspreken. Dat betekent dat appellant per 1 mei 1992 arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

Bij uitspraak van 1 oktober 1993 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 februari 1992 ongegrond verklaard. De rechtbank verenigt zich met het medisch oordeel van de deskundige, maar zij kan diens conclusie dat appellant per 1 mei 1992 arbeidsongeschikt moet worden beschouwd niet delen. Volgens de rechtbank is dit oordeel gebaseerd op administratief-juridische gronden en niet op medische gronden. Tegen deze uitspraak zijn door appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij brief van 26 juli 1994 verzoekt de echtgenote van appellant om uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daarbij zijn (wederom) een aantal medische stukken overgelegd. Bij brief gedateerd 24 december 1997 informeert de gemachtigde mr. Van den Brom naar de stand van zaken. Vervolgens is door de gemachtigde verzocht om herziening van het besluit van 7 februari 1992. Dit verzoek is bij besluit van 23 oktober 1997 afgewezen. In bezwaar is door de gemachtigde aangegeven dat het verzoek van appellant primair was gericht op een besluit ter zake van de toeneming van de mate van arbeidongeschiktheid binnen een maand na 1 mei 1992. Bij besluit van 12 januari 1999 is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is zowel beslist op het verzoek om terug te komen van als het verzoek om heropening. Het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 29 mei 2000 ongegrond verklaard, welk oordeel in hoger beroep door de Raad is bevestigd.

1.3. Door de gemachtigde is vervolgens verzocht om toepassing van de Wet Amber. Gewezen wordt op de CNSS-rapportage van 8 september 1993 en een aantal verklaringen van de behandelend psychiater van appellant uit de jaren 1996 en 1997. De verzekeringsarts M. Bakker merkt in een rapportage van 9 maart 2005 op dat de CNSS-rapportage al is meegewogen bij de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 1993. De verklaringen van de behandelend psychiater geven geen aanleiding te veronderstellen dat er een wijziging is ingetreden in de gezondheidstoestand van appellant. Op de datum 27 december 1995, de dag waarop de Wet Amber in werking is getreden, is de medische toestand van appellant nog gelijk aan die op 1 mei 1992. Bij besluit van 14 maart 2005 is het verzoek om toepassing van de Wet Amber afgewezen.

2.1. Namens appellant is in bezwaar bestreden dat er geen sprake zou zijn van een toename van de beperkingen van appellant. Gewezen wordt op de MN 116-rapporten uit Marokko en met name het MN 213 formulier van 8 september 1993.

2.2. In een rapportage van 6 juli 2005 van de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek wordt opgemerkt dat uitgangspunt is de medische toestand op 1 mei 1992. Dat is het moment waarop appellant minder dan 45% arbeidsongeschikt wordt. Op dat moment zijn er ten aanzien van de psyche geen duurzame beperkingen ten gevolge van ziekte. Er zijn wel beperkingen samenhangend met de maagklachten bij ulcus duodeni. Een uitkering op grond van de Wet Amber vooronderstelt toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak. In de uit Marokko afkomstige stukken zijn geen aanwijzingen te vinden voor een gewijzigd beeld met betrekking tot de maagklachten. Stukken die betrekking hebben op de psychische klachten vallen buiten het bestek van de Amber-beoordeling. Geconcludeerd wordt dat in de periode tot 1 mei 1997 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.

2.3. Bij besluit van 7 juli 2005 is het bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek, ongegrond verklaard.

2.4. Na de beslissing op bezwaar zijn door de gemachtigde nog een aantal medische stukken uit de jaren 1996, 1997 ingezonden. Deze stukken zien in het bijzonder op de maag- en darmklachten van appellant. In een rapportage van 3 augustus 2005 geeft de bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek aan dat deze stukken geen aanleiding geven om meer beperkingen aan te nemen dan reeds zijn aangegeven bij de schatting in 1992.

3.1. In beroep is namens appellant primair betoogd dat voor de Amber-beoordeling niet alleen de maagklachten, maar ook de psychische klachten relevant zijn. Verwezen wordt onder meer naar de CNSS-rapportages van 18 maart 1992 en 27 april 1992, waarin als diagnose wordt gesteld naast een actieve ulcus een depressie, onrustig gedrag en slapeloosheid. Verder wordt erop gewezen dat door appellant meerdere brieven zijn overgelegd van zijn behandelende psychiater. Ten aanzien van de maagklachten wordt opgemerkt dat appellant in Marokko een aantal malen is onderzocht, waarbij wordt vastgesteld dat de klachten toenemen. Het is onzorgvuldig om zonder duidelijk onderzoek af te wijken van de namens appellant ingebrachte medische gegevens. Ten slotte heeft de gemachtigde verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.2. Ter zitting van de rechtbank is namens het Uwv erop gewezen dat in het CNSS-rapport van 27 april 1992, welke rapportage het dichtst ligt bij de datum in geding, de psychische klachten niet worden genoemd.

3.3. De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade toegewezen en op die grond het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Ten gronde heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv met recht aan appellant een uitkering op grond van de Wet Amber heeft ontzegd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit heeft de rechtbank in stand gelaten.

4.1. In hoger beroep hebben partijen in essentie hun in de eerdere fasen van de procedure ingenomen standpunten herhaald.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. Het geding in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank met recht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

5.3. De Raad zal eerst ingaan op de beantwoording van de vraag of de arbeidsongeschiktheid van appellant voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid voortkwam ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten. Bepalend hiervoor is de medische toestand van appellant op 1 mei 1992, het moment waarop voor appellant geldt dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 45% bedraagt. Met betrekking tot deze datum is de rechtbank bij haar uitspraak van 1 oktober 1993 ervan uitgegaan dat er bij appellant geen sprake was van psychopathologie. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat bij die bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid op die datum psychische klachten van appellant een medebepalende rol hebben gespeeld. De Raad moet dan ook constateren dat de psychische beperkingen van appellant niet voortkomen uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid voortkwam ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten. De namens appellant gestelde toename van zijn psychische beperkingen na 1 mei 1992 kan bij de beslissing op het onderhavige verzoek om een arbeidsongeschiktheidsuitkering dan ook geen rol spelen.

Ten aanzien van de maag- en darmklachten heeft de deskundige Van Blankenstein, in de procedure tegen het besluit van 7 februari 1992, opgemerkt dat de door appellant overgelegde CNSS-gegevens dezelfde klachten laten zien als appellant destijds had in Nederland. De bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek constateert hetzelfde ten aanzien van de daarna ingezonden medische stukken. Ook naar het oordeel van de Raad kan niet anders worden geoordeeld dan dat de maag- en darmklachten, zoals ze naar voren komen uit de diverse stukken, vóór en na 1 mei 1992 niet veranderd zijn. Dat betekent tevens dat niet kan worden gezegd dat de beperkingen ten gevolge van deze klachten na 1 mei 1992 zijn toegenomen.

De Raad voegt aan het voorgaande nog toe dat, in de omstandigheden van dit geval, niet kan worden gezegd dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest, nu appellant niet door het Uwv in persoon is onderzocht. Het Uwv beschikte immers over diverse onderzoeksgegevens uit Marokko, terwijl, gezien de periode in geding, niet valt in te zien, wat een onderzoek van appellant in persoon in de onderhavige procedure, daaraan had kunnen toevoegen.

Nu er geen wijziging is opgetreden in de medische situatie van appellant staat tevens vast dat het Uwv met recht heeft afgezien van een arbeidskundige beoordeling in de onderhavige zaak.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

5.5. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe, uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ