Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH3690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
08-2388 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing loskoppeling: een studerende die stelt dat hij geen alimentatie ontvangt, moet aantonen of in ieder geval aannemelijk maken dat hij een door de rechter vastgestelde alimentatie niet ontvangt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 4:2
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2388 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 maart 2008, 07/705 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 20 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Ramsoedh, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2009.

Appellant is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr.drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft gedateerd 13 juli 2006 een verzoek gedaan om bij de vaststelling van de door hem gevraagde aanvullende beurs het inkomen van zijn vader buiten beschouwing te laten (verzoek om loskoppeling).

1.2. Bij besluit van 9 februari 2007 is dit verzoek afgewezen.

1.3. De IB-Groep heeft het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 4 juni 2007 (bestreden besluit) niet gehonoreerd door te overwegen dat appellant weliswaar voldoet aan de vereisten voor loskoppeling, maar niet behoeftig is, omdat hij verondersteld wordt van zijn vader alimentatie te ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet op de studiefinanciering (WSF 2000) ontvangen alimentatie in de plaats komt van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Bij de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 9 maart 1994 is de alimentatie voor appellant bepaald op f 250,- per maand. Appellant heeft niet aangetoond dat die alimentatie reeds 12 maanden oninbaar is.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Namens appellant is aangevoerd dat de alimentatie wel 12 maanden oninbaar is. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt correspondentie met het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Vast staat dat appellant in beginsel voldoet aan de vereisten om het inkomen van zijn vader buiten beschouwing te laten.

4.3. Daarnaast moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000).

Op grond van dit artikel komt, indien een studerende alimentatie ontvangt, het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie in de plaats van de veronderstelde ouderlijke bijdrage.

4.4. Bij beschikking van de rechtbank van 9 maart 1994 is bepaald dat de vader van appellant een bedrag van f 250,- per maand aan alimentatie voor appellant zal betalen.

4.5. De Raad is van oordeel dat een studerende die stelt dat hij geen alimentatie ontvangt, moet aantonen of in ieder geval aannemelijk maken dat hij een door de rechter vastgestelde alimentatie niet ontvangt, bijvoorbeeld door middel van een verklaring van het LBIO.

4.6. Appellant is hier niet in geslaagd. Hij heeft weliswaar een op 21 februari 2001 gedateerd Formulier overname inning kinderalimentatie overgelegd, maar in de brief van het LBIO van 8 januari 2007 is vermeld dat dit formulier niet bij het LBIO is ontvangen, althans, niet als zodanig is geregistreerd, zodat het LBIO de inning van kinderalimentatie niet ter hand heeft genomen. Appellant heeft de verzending van dit formulier aan noch de ontvangst daarvan door het LBIO aannemelijk gemaakt. De stelling van appellant dat het LBIO niet optimaal functioneert, maakt dit niet anders. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat appellant de alimentatie niet heeft ontvangen.

4.7. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

JL