Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH3575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2009
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
07-3036 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verplicht verzekerd? De Svb heeft de werkzaamheden als DGA van appellant in België niet ten onrechte gekwalificeerd als werkzaamheden anders dan in loondienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3036 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2007, 05/3983 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 5 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Roose, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2008. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die de Nederlandse nationaliteit heeft, heeft bij formulier, ingekomen bij de Svb op 24 september 2002, een aanvraag gedaan voor de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) wegens vertrek uit Nederland naar België per 16 maart 2001. Bij besluit van 21 januari 2003 is appellant per 1 januari 2002 toegelaten tot de vrijwillige verzekering ANW.

1.2. Uit inlichtingen van de belastingdienst van 27 april 2004 is de Svb gebleken dat appellant met deze dienst in discussie is omtrent zijn verzekeringspositie. Appellant werkt in België als zelfstandige, maar hij heeft tevens een dienstverband in Nederland en hij ontvangt daaruit ook inkomsten. Mogelijk is appellant verplicht verzekerd in Nederland.

1.3. De Svb heeft daarop een aantal vragen voorgelegd aan appellant. Deze heeft bij brief van 26 augustus 2004, annex bijlagen, bevestigd dat hij nog steeds als directeur-grootaandeelhouder (DGA), in loondienst werkt bij [naam bedrijf] wordt verricht in Nederland, correspondentie en telefonische contacten in België. Daarnaast verricht hij fiscale werkzaamheden als zelfstandige in België. Bij de door appellant bijgevoegde stukken is een brief van het (Belgische) Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ), waarin wordt opgemerkt dat nu appellant vanaf 1 juli 2000 loontrekkende is in Nederland, hij (in België) terecht is aangesloten als zelfstandige in bijberoep. Uit de stukken blijkt verder dat appellant sedert 1 januari 1991 een uitkering geniet ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

1.4. Bij brief van 16 september 2004 heeft de belastingdienst de Svb geïnformeerd over de verzekeringsplicht van appellant. Opgemerkt wordt dat appellant in loondienst werkt voor een vijftal in Nederland gevestigde vennootschappen. De werkzaamheden worden zowel in Nederland als in België verricht. De werkzaamheden voor de vennootschappen in België dienen te worden gekwalificeerd als werkzaamheden als zelfstandige, aangezien een DGA in België niet in loondienst werkzaam kan zijn. Nu appellant deze werkzaamheden niet als zodanig bij de RSVZ heeft aangegeven, wordt de gehele loondienstverhouding aan Nederland toegerekend en is hij derhalve in Nederland verplicht verzekerd voor het gehele loon.

1.5. Bij besluit van 19 maart 2005 is door de Svb aan appellant medegedeeld dat hij, na zijn vertrek naar België, op grond van zijn werkzaamheden in Nederland verplicht verzekerd is gebleven voor de Nederlandse volksverzekeringen. De reeds betaalde premies voor de vrijwillige verzekering worden gerestitueerd.

2.1. In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat hij voor de eigen onderneming ook werkzaamheden in België heeft verricht. Nu appellant ook in België woont komt de verzekeringsplicht in Nederland te vervallen. Gewezen wordt op artikel 14, tweede lid, aanhef, onder b, sub i, van verordening (EEG) 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 (hierna: Vo. 1408/71).

2.2. Bij besluit van 22 juli 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat de situatie van appellant valt onder artikel 14 quater, sub b, in combinatie met Bijlage VII. Het RSVZ in België beschouwt de DGA als zelfstandige, terwijl op grond van de Nederlandse wetgeving een DGA als werknemer in loondienst wordt beschouwd. Uit genoemde bepalingen van Vo. 1408/71 volgt dan dat ter zake van de werkzaamheden in loondienst in Nederland de Nederlandse wetgeving op appellant van toepassing is. Appellant is derhalve onafgebroken verplicht verzekerd gebleven voor de Nederlandse volksverzekeringen.

3.1. In beroep is namens appellant in de kern betoogd dat nu betrokkene in Nederland bij de betrokken B.V.’s in loondienst werkzaam is, dit ook heeft te gelden voor de werkzaamheden die hij in dat kader uitvoert in België. De stelling van de Svb dat in België werkzaamheden van een DGA niet worden aangemerkt als werkzaamheden in loondienst is niet ter zake doende. Het gaat erom dat appellant werkzaam is voor een in Nederland gevestigde B.V. en dat de rechtsverhouding wordt gebaseerd op het Nederlandse recht.

3.2. In verweer is door de Svb daartegen ingebracht dat de werkzaamheden die door appellant voor zijn B.V.’s in België worden verricht, dienen te worden gekwalificeerd aan de hand van de wetgeving van het land waarin deze werkzaamheden worden verricht (HvJ EG 30 januari 1997, De Jaeck, C-340/94 (RSV 97/158)). In casu kwalificeert België deze werkzaamheden als werkzaamheden als zelfstandige. Geconcludeerd wordt dat het bestreden besluit juist is.

3.3. Namens appellant is nog aangevoerd dat op grond van Bijlage VI van Vo. 1408/71, J. Nederland, punt 7, de werkzaamheden van de DGA, die in Nederland werkzaamheden verricht, in titel II van de verordening worden aangemerkt als werkzaamheden “in loondienst”. Dit betekent dat iemand die in Nederland werkzaamheden verricht als DGA voor al zijn werkzaamheden uit dien hoofde, ook als deze werkzaamheden deels in een ander land worden verricht, in loondienst werkzaam is.

3.4. Ter zitting van de rechtbank is door de Svb een telefoonrapport overgelegd over een contact met de Belgische Rijksdienst voor Werknemerspensioenen. Desgevraagd is door deze dienst verklaard dat appellant niet als werknemer is geregistreerd in België. Appellant heeft zich niet als zodanig aangemeld.

3.5. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Met betrekking tot het beroep van appellant op punt 7 van Bijlage VI van Vo. 1408/71, zoals deze bepaling ten tijde in geding luidde, wordt overwogen dat de kwalificatie van een DGA betrekking heeft op de door betrokkene in Nederland te verrichten werkzaamheden. Een beroep op dit artikel

ter zake van in België verrichte en te verrichten werkzaamheden voor in Nederland gevestigde B.V.’s kan op die grond niet slagen.

Onder verwijzing naar het arrest De Jaeck overweegt de rechtbank vervolgens dat de kwalificatie van de werkzaamheden dient plaats te vinden naar de regelgeving van de Lidstaat waar deze werkzaamheden feitelijk worden verricht. Appellant heeft de stelling van de Svb dat de werkzaamheden van een DGA in België worden gekwalificeerd als werkzaamheden anders dan in loondienst, niet, althans niet gemotiveerd, weersproken. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant alleen in Nederland werkzaamheden in loondienst heeft verricht. Toepassing van artikel 14 quater, aanhef en onder b, eerste platte streepje, van Vo. 1408/71, leidt dan tot de conclusie dat ter zake van de door appellant verrichte en nog te verrichten werkzaamheden in loondienst in Nederland, de wetgeving van Nederland van toepassing is.

4.1. In hoger beroep zijn namens appellant de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden in essentie herhaald. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank wordt nog opgemerkt dat de interpretatie van de rechtbank van punt 7 van Bijlage VI onjuist is. Volgens appellant beoogt deze bepaling een eenduidige invulling te geven aan het begrip ‘loondienst’ ingeval van een DGA van een B.V. Volgens appellant volgt uit deze bepaling dat de DGA die in Nederland werkzaam is ten aanzien van die rechtsverhouding als loontrekkende wordt aangemerkt, óók als de werkzaamheden uit hoofde van die betrekking deels in het buitenland worden verricht.

4.2. In verweer is door de Svb opgemerkt dat de Svb zich geheel kan vinden in de uitspraak van de rechtbank.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. Punt van geschil is hoe de door appellant als DGA van zijn in Nederland gevestigde vennootschappen in België verrichte werkzaamheden dienen te worden gekwalificeerd. Volgens appellant gaat het om werkzaamheden in loondienst, zodat op appellant op grond van artikel 14 quater, aanhef en onder b, eerste platte streepje, juncto artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, sub i, van Vo. 1408/71, de Belgische wetgeving van toepassing is. Het bestreden besluit, dat steunt op de stelling dat appellant in Nederland verplicht verzekerd is gebleven kan volgens appellant dan ook geen stand houden.

5.3. De Raad zal eerst ingaan op de stelling van appellant dat uit punt 7 van Bijlage VI van Vo. 1408/71, volgt dat de DGA die in Nederland werkzaam is wordt aangemerkt als loontrekkende, ook voor zover het gaat om werkzaamheden als DGA die in het buitenland worden verricht.

5.4. De Raad merkt op dat Bijlage VI zijn grondslag vindt in artikel 89 van Vo. 1408/71. De strekking van artikel 89 is om aan de lidstaten de mogelijkheid te bieden om bijzondere bepalingen te laten opnemen, welke betrekking hebben op de toepassing van de verordening ten aanzien van hun wetgeving. De Bijlage draagt als opschrift: “Nationale toepassingsmodaliteiten” en punt 7 heeft zijn plaats in het onderdeel (J) dat betrekking heeft op Nederland. Naar het oordeel van de Raad is dan ook niet voor twijfel vatbaar dat de kwalificatie van de werkzaamheden van de DGA in punt 7 van Bijlage VI uitsluitend ziet op de toepassing van de verordening ten aanzien van de Nederlandse wetgeving. Daarmee in niet verenigbaar de stelling van appellant dat het bepaalde in punt 7 van Bijlage VI bepalend is voor de kwalificatie van de werkzaamheden van de DGA in, in dit geval, België. De Raad voegt hieraan toe dat een dergelijke uitleg ook niet wel te verenigen is met het arrest De Jaeck van het HvJ EG. Uit dit arrest volgt immers dat de kwalificatie van de werkzaamheden dient plaats te vinden naar de regelgeving van de Lidstaat waar deze werkzaamheden feitelijk worden verricht. Nu in het onderhavige geval het gaat om werkzaamheden verricht in België, is voor de kwalificatie van die werkzaamheden het oordeel van de ter zake bevoegde Belgische organen doorslaggevend.

5.5. Door de Svb is gesteld dat in België de werkzaamheden van een DGA worden aangemerkt als werkzaamheden anders dan in loondienst. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant die stelling, niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken. In dit verband wijst de Raad er verder op dat onder de gedingstukken zich een brief bevindt van het RSVZ, waarin wordt opgemerkt dat appellant (in België) terecht is aangesloten als zelfstandige in bijberoep. Vaststaat verder dat appellant in België niet is geregistreerd als werknemer bij de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen. De Raad moet dan ook concluderen dat de Svb de werkzaamheden als DGA van appellant in België niet ten onrechte heeft gekwalificeerd als werkzaamheden anders dan in loondienst. Uit artikel 14 quater, aanhef en onder b, in combinatie met Bijlage VII punt 1, volgt dat appellant voor zijn werkzaamheden als DGA in Nederland is onderworpen aan de Nederlandse wetgeving.

5.6. De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

6. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe, uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ