Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH3338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
26-02-2009
Zaaknummer
07-6207 WW + 08-3664 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beslissing over de bovenwettelijke uitkering kan niet worden gezien als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. De bestuursrechter is niet bevoegd tot het geven van een oordeel over een dergelijk besluit. De Stichting ROC is bevoegd om te beslissen op de aanvraag om een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Weigering WW-uitkering: Appellante had weliswaar in de periode van 36 weken vóór 14 april 2006 ten minste in 26 weken gewerkt, maar daartoe behoorden ook de weken waarin zij nog bij de verzekeringsmaatschappij werkte en die weken dienden voor de beoordeling of een tweede WW-recht was ontstaan buiten beschouwing te blijven omdat zij al in aanmerking waren genomen bij de beoordeling van het WW-recht van appellante met ingang van 20 maart 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6207 WW

08/3664 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2007, 07/88 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2009.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 29 mei 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van 29 mei 2008.

Het [naam werkgever] heeft niet gereageerd op het vanwege de Raad gedane verzoek om kenbaar te maken of hij wil deelnemen aan het geding met registratienummer 07/6207 WW.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2008. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellante, geboren [in] 1942, is van 14 maart 2005 tot 14 maart 2006 voor 34 uur per week als zorgjurist in dienst geweest van [naam verzekeringsmaatschappij] (hierna: [verzekeringsmaatschappij]). Vanaf 13 februari 2006 was zij vrijgesteld van werkzaamheden in verband met vrije dagen en dergelijke. Met ingang van 13 februari 2006 is appellante voor de duur van twee maanden in dienst getreden van het [naam werkgever] (hierna: [werkgever]). Het Uwv heeft appellante in verband met het einde van haar dienstbetrekking bij [verzekeringsmaatschappij] met ingang van 20 maart 2006 een uitkering ingevolge de WW toegekend, berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 34.

2.2. Appellante heeft naar aanleiding van het einde van haar dienstbetrekking bij het [werkgever] aan het Uwv verzocht om haar ook ter zake van de hieruit ontstane werkloosheid een WW-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft appellante deze uitkering bij besluit van 28 augustus 2006 met ingang van 14 april 2006 ontzegd omdat zij in de laatste 36 weken voordat zij uit deze dienstbetrekking werkloos werd niet in ten minste 26 weken had gewerkt.

2.3. Naar aanleiding van verzoeken van appellante om informatie over de sollicitatieplicht vanaf het moment waarop zij 64 jaar is geworden heeft het Uwv appellante bij besluit van 6 oktober 2006 erop gewezen dat zij op grond van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en WIA niet in aanmerking komt voor vrijstelling van de sollicitatieverplichting omdat zij niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarde dat zij ten tijde van de eerste werkloosheidsdag, 20 maart 2006, al 64 jaar was.

2.4. De met ingang van 20 maart 2006 aan appellante toegekende WW-uitkering is in verband met ziekte van appellante beëindigd met ingang van 1 augustus 2006. Naar aanleiding van het verzoek van appellante om herleving van de WW-uitkering in verband met haar herstel heeft het Uwv bij besluit van 6 november 2006 bepaald dat de WW-uitkering van appellante met ingang van 16 oktober 2006 is herleefd.

2.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 28 augustus 2006, 6 oktober 2006 en 6 november 2006. Appellante meent, kort samengevat, dat zij met ingang van 14 april 2006 een tweede recht op WW-uitkering heeft omdat zij in de periode van 36 weken vóór die datum ononderbroken heeft gewerkt en dat met ingang van 16 oktober 2006 een nieuwe eerste werkloosheidsdag is ontstaan, zodat zij vanaf die dag aanspraak kan maken op vrijstelling van de sollicitatieplicht. In dat kader heeft appellante er ook bezwaar tegen gemaakt dat na 16 oktober 2006 werkbriefjes aan haar werden toegezonden. Appellante heeft voorts de bevoegdheid van de ondertekenaar van de door haar aangevochten besluiten betwist, evenals de bevoegdheid van het Uwv ter zake van de uitvoering van de WW met betrekking tot haar werkloosheid uit de dienstbetrekking bij het [werkgever].

2.6. Het Uwv heeft de bezwaren van appellante bij besluit van 6 december 2006 (hierna: bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I. Voor zover bestreden besluit I betrekking had op het besluit van 28 augustus 2006 heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard, bestreden besluit I vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2006 te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank was bestreden besluit I op onzorgvuldige wijze voorbereid doordat ten onrechte niet was beslist op het door appellante bij haar aanvraag van 1 maart 2006 gedane verzoek om toekenning van een bovenwettelijke uitkering ter zake van haar op dat moment al te verwachten werkloosheid uit haar dienstbetrekking bij het [werkgever]. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, waarin zij haar eerder naar voren gebrachte stellingen heeft gehandhaafd. Verder heeft appellante naar voren gebracht dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bovenwettelijke uitkering niet begrijpelijk is en heeft zij verzocht om veroordeling van het Uwv tot vergoeding aan haar van door haar geleden schade ten bedrage van € 15.000,--, vermeerderd met wettelijke rente.

5. Het Uwv heeft, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, bij besluit van 29 mei 2008 (hierna: bestreden besluit II) opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2006. Bij bestreden besluit II heeft het Uwv de ontzegging van een WW-uitkering met ingang van 14 april 2006 gehandhaafd en zich onbevoegd verklaard om te beslissen over de aanvraag om een bovenwettelijke uitkering. Het Uwv heeft die aanvraag doorgestuurd naar Loyalis Maatwerkadministraties b.v. Deze heeft bij besluit van 12 juni 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 25 september 2008, geweigerd aan appellante per 13 april 2006 een uitkering ingevolge de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie 2005 (hierna: de BWBV 2005) toe te kennen.

6. De Raad zal naar aanleiding van het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak in de eerste plaats het oordeel van de rechtbank over het bij bestreden besluit I gehandhaafde besluit van 28 augustus 2006 beoordelen.

6.1. Sinds de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie worden de regels betreffende de sociale zekerheid voor het personeel in deze sector vastgesteld door de bevoegde gezagsorganen van de instellingen en de besturen van de landelijke organen. Deze regels zijn aan te merken als privaatrechtelijke arbeidsvoorwaarden. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan en de bevoegdheid tot het nemen van beslissingen over het recht op een bovenwettelijke uitkering berusten bij de werkgevers. Ten aanzien van appellante was de [werkgever] waar appellante werkzaam was daarom bevoegd tot het beslissen over haar aanvraag om een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering ingevolge de BWBV 2005. Nu dit een privaatrechtelijke regeling is en bij de uitvoering daarvan geen sprake is van gebruikmaking van publiekrechtelijke bevoegdheden of van de uitoefening van een overheidstaak kan de beslissing over de bovenwettelijke uitkering niet worden gezien als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter niet bevoegd is tot het geven van een oordeel over een dergelijk besluit. Hieruit volgt dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte uitspraak heeft gedaan met betrekking tot de door appellante aangevraagde bovenwettelijke uitkering. De rechtbank heeft daarom bestreden besluit I ten onrechte vernietigd op grond van een zorgvuldigheidsgebrek, het beroep van appellante ten onrechte gedeeltelijk gegrond verklaard en ten onrechte aan het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2006 te nemen. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

7. Voor zover de rechtbank het beroep van appellante ongegrond heeft verklaard overweegt de Raad als volgt.

7.1. De Raad stelt vast dat appellante met ingang van 20 maart 2006 werkloos is geworden uit de dienstbetrekking bij [verzekeringsmaatschappij]. Appellante was op dat moment al in dienst bij het [werkgever], maar het Uwv heeft de daarmee gemoeide uren van 18 per week niet in aanmerking genomen bij de berekening van het arbeidsurenverlies en heeft aan appellante met ingang van 20 maart 2006 een WW-uitkering toegekend voor 34 uur. Het Uwv heeft naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat appellante met ingang van 14 april 2006, toen haar werkzaamheden bij het [werkgever] waren geëindigd, geen nieuw WW-recht had opgebouwd, omdat appellante per 14 april 2006 niet opnieuw had voldaan aan de zogenoemde wekeneis. Appellante had weliswaar in de periode van 36 weken vóór 14 april 2006 ten minste in 26 weken gewerkt, maar daartoe behoorden ook de weken waarin zij nog bij [verzekeringsmaatschappij] werkte en die weken dienden voor de beoordeling of een tweede WW-recht was ontstaan buiten beschouwing te blijven omdat zij al in aanmerking waren genomen bij de beoordeling van het WW-recht van appellante met ingang van 20 maart 2006.

De Raad komt op grond van deze overwegingen tot het oordeel dat de rechtbank het standpunt van het Uwv dat appellante met ingang van 14 april 2006 geen recht had op een WW-uitkering uit hoofde van haar dienstbetrekking bij het [werkgever] terecht in stand heeft gelaten. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv dan ook terecht vastgesteld dat appellante per 14 april 2006 recht had op een WW-uitkering over 34 uur.

7.2. De Raad beantwoordt de vraag of per 16 oktober 2006 een nieuwe eerste werkloosheidsdag is ontstaan met de rechtbank en het Uwv ontkennend. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank op dit punt en neemt die overwegingen over. Nu 20 maart 2006 de eerste werkloosheidsdag is gebleven en appellante op dat moment nog geen 64 jaar was, voldeed zij met ingang van 16 oktober 2006, toen zij wel 64 jaar was, niet aan de in de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en WIA opgenomen voorwaarde om in aanmerking te komen voor vrijstelling van de sollicitatieverplichting. Dat aan appellante na 16 oktober 2006 werkbriefjes zijn toegezonden is dan ook, anders dan appellante heeft betoogd, terecht.

7.3. De door appellante aangevoerde grieven van formele aard, zoals weergegeven in 2.5 en door haar in hoger beroep gehandhaafd, zijn eveneens op goede gronden door de rechtbank verworpen. De Raad volstaat met een verwijzing naar de aangevallen uitspraak.

7.4. De Raad komt op grond van de overwegingen in 7.1, 7.2 en 7.3 tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven voor zover de rechtbank het beroep van appellante ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden bevestigd.

8. De Raad zal op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb tevens uitspraak doen op het beroep van appellante tegen bestreden besluit II. Met betrekking tot dit beroep overweegt de Raad dat uit 6.1 volgt dat aan bestreden besluit II de grondslag is komen te ontvallen. Bestreden besluit II komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

9.1. Appellante heeft verzocht om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van door haar geleden schade ten bedrage van € 15.000,--, vermeerderd met wettelijke rente. Ter zitting van de Raad heeft appellante ter toelichting gesteld dat het hierbij gaat om gederfde inkomsten, bestaande uit de haar ten onrechte met ingang van 14 april 2006 onthouden WW-uitkering en de daaruit voortvloeiende negatieve gevolgen voor haar pensioen. Nu uit 7.1 volgt dat appellante met ingang van 14 april 2006 niet ten onrechte een WW-uitkering uit hoofde van haar dienstbetrekking bij het [werkgever] is onthouden, noch dat de per die datum toegekende uitkering te laag was bestaat geen grondslag voor toewijzing van appellantes verzoek om schadevergoeding.

9.2. Appellante heeft de Raad tevens verzocht om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de in hoger beroep door haar gemaakte proceskosten, bestaande uit reiskosten en salaris, een en ander conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Aangezien de aangevallen uitspraak gedeeltelijk en bestreden besluit II geheel wordt vernietigd bestaat aanleiding tot een proceskostenveroordeling van het Uwv. Nu geen sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kan aan appellante slechts een vergoeding van haar reiskosten worden toegekend. De Raad begroot deze op € 12,40.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 6 december 2006 is vernietigd, het beroep van appellante gegrond is verklaard en de rechtbank de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2006;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 2006 ongegrond voor zover daarbij het besluit van 28 augustus 2006 is gehandhaafd;

Verklaart de rechtbank onbevoegd ter zake van de beoordeling van het geschil aangaande de bovenwettelijke uitkering;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Vernietigt het besluit van 29 mei 2008;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 12,40, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P. Boer.

BvW