Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
07-2721 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beroep ingesteld tegen het uitblijven van het besluit. 2) Ontheffing uit functie die niet meer vervuld werd. 1) Niet-ontvankelijk verklaring door rechtbank. De Raad oordeelt dat rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft uitgesproken. Dat de (te late) komst van het bestreden besluit was aangekondigd, maakt niet dat appellant geen grond had beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen daarvan. Bovendien werd besluit niet genomen in de toegezegde eerste week, maar later. Raad voorziet zelf, zonder terugwijzing. Wegingsfactor "zeer licht". 2) Appellant is enige jaren geleden een nieuwe functie gaan vervullen zonder dat daaraan een tijdelijk karakter werd verleend. Zijn oorspronkelijke functie wordt nu opgeheven. Het college heeft appellant ten onrechte ontheven uit een functie die hij niet (meer) vervulde en heeft appellant daarom ook ten onrechte aangemerkt als (in verband daarmee) boventallig. Ten overvloede merkt de Raad op dat de hier aan de orde zijnde verandering in de organisatie niet was te kwalificeren als een organisatieveranderingsproces van categorie 1 in de zin van de Reorganisatiecode TU Delft, gezien de omvang van de verandering en op het ontbreken van overeenstemming met alle betrokken medewerkers. Dit laat onverlet dat het college wellicht ten aanzien van de medezeggenschapsorganen en jegens andere personeelsleden dan appellant zorgvuldig heeft gehandeld. Omdat het aan het primaire besluit klevende gebrek niet kan worden hersteld bij een nieuwe beslissing op bezwaar, herroept de Raad zelf dat besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2721 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 april 2007, 06/4664 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van de Technische Universiteit Delft (hierna: college)

Datum uitspraak: 12 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. O.W. Borgeld, verbonden aan Borgeld Juridisch Advies. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H.J. ter Meulen, prof. drs. M. Waas en drs. I.M.J.M. Emmerik, allen werkzaam aan de Technische Universiteit Delft (hierna: TUD).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was oorspronkelijk werkzaam aan de TUD als universitair docent (hierna: UD) in de sectie Industriële Organisatie van de faculteit 3mE. Vanaf 2002 is hij als UD werkzaam geweest bij de sectie Design and Life Cycle Engineering (hierna: DLCE). Eind oktober 2004 heeft de decaan van de faculteit in een gesprek aan appellant medegedeeld dat zijn werkzaamheden voor DLCE “tijdelijk zijn gemaakt”.

1.2. Nadat appellant tegen een desbetreffend voornemen zijn bedenkingen had geuit, is hem bij brief van 8 december 2005 het besluit medegedeeld dat - overeenkomstig een na consultatie van de Onderdeelscommissie vastgesteld Meerjarenplan voor de faculteit - de door hem vervulde functie van UD in de sectie Industriële Organisatie is opgeheven, dat hij daarom met ingang van 1 januari 2006 als boventallig wordt aangemerkt en dat een herplaatsingstraject wordt gestart. Blijkens het besluit is dit een en ander het resultaat van een organisatieontwikkeling, waarmee bedoeld wordt een organisatieveranderingsproces van de categorie 1 in de zin van de Reorganisatiecode TU Delft. Dat betreft niet een organisatieverandering waartoe slechts het college kan beslissen (een reorganisatie), maar een verandering waartoe de beheerder van de faculteit zelf kan besluiten, onder meer op basis van overeenstemming met de betrokken medewerkers. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij bestreden besluit van 9 juni 2006 ongegrond verklaard.

2.1. Toen het bestreden besluit op 22 mei 2006 nog niet genomen was en appellant op de hoorzitting van de bezwarencommissie van de kant van het college vernomen had dat de beslissing op bezwaar pas genomen zou worden in de eerste week van juni 2006, heeft hij beroep ingesteld tegen het in strijd met de wettelijke beslistermijnen uitblijven van dat besluit.De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dat beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het bestreden besluit alsnog genomen was. Zij heeft geen aanleiding gezien het college te veroordelen in de proceskosten omdat appellant op de hoogte was van de aankondiging van het bestreden besluit en omdat het college nagenoeg overeenkomstig die aankondiging heeft gehandeld.

2.2. Tegen het bestreden besluit heeft appellant vervolgens de nodige beroepsgronden aangevoerd, die bij de aangevallen uitspraak alle zijn verworpen.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak op de beide onderdelen bestreden.

3.1. Hij is van opvatting dat de rechtbank hem ten onrechte een aanspraak heeft onthouden op vergoeding van de proceskosten die verband houden met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Zijns inziens heeft hij aanspraak op die vergoeding omdat het college niet binnen de wettelijk toegestane termijn zijn beslissing heeft genomen.

3.2. Appellant voert tegen de instandlating door de rechtbank van het bestreden besluit onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat appellant niet structureel een functie vervulde bij DLCE en ten tijde in geding nog de functie vervulde van UD Industriële Organisatie. Verder is zijns inziens ten onrechte niet beslist op de grief dat hier geen sprake was van een organisatieontwikkeling, maar van een reorganisatie waartoe niet de decaan maar slechts het college kon besluiten.

4.1. Het college acht het standpunt van de rechtbank over het onthouden van proces-kostenvergoeding redelijk omdat het college slechts iets te laat tot zijn beslissing is gekomen en appellant daarvan tijdens de hoorzitting van de bezwaarcommissie op de hoogte was gebracht.

4.2. Het college heeft opnieuw het standpunt ingenomen dat appellant wist dat zijn functie bij DLCE slechts tijdelijk was en dat hij dus ten tijde in geding boventallig kon worden geplaats in verband met de opheffing, toen, van de functie van UD Industriële Organisatie. Het college blijft verder van opvatting dat de decaan hier bevoegd was om te besluiten tot deze organisatieverandering, een zogenoemde organisatieontwikkeling. Er is zijns inziens sprake geweest van een zorgvuldig, geleidelijk proces, waarbij slechts met appellant geen overeenstemming kon worden bereikt. Dat maakt niet dat hier gesproken zou moeten worden van een reorganisatie, ook niet nu aan de orde was het afstoten van het organisatieonderdeel Industriële Organisatie en het afvloeien van 40 fte personeels-leden.

5. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

5.1.1. De onder 3.1 weergegeven grief betreffende de aanspraak op vergoeding van proceskosten in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, treft doel. Dat de (te late) komst van het bestreden besluit was aangekondigd, maakt niet dat appellant geen grond had beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen daarvan. Dat wordt in dit geval nog geïllustreerd door de omstandigheid dat het bestreden besluit niet in de toegezegde eerste week van juni werd genomen, maar pas op 9 juni. De aangevallen uitspraak kan dus in zoverre niet in stand blijven.

5.1.2. De Raad ziet aanleiding de zaak zonder terugwijzing zelf af te doen. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn beperkt tot de kosten van verleende rechtsbijstand ter zake van het indienen van een beroepschrift. Aan het instellen van beroep bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit kent de Raad de wegingsfactor “zeer licht” (25%) toe. Dit leidt tot een veroordeling van het college in deze proceskosten tot een bedrag van 0,25 x € 322,- = € 80,50.

5.2.1. Met betrekking tot de opheffing van de functie volgt de Raad appellant eveneens. Bij het bestreden besluit is appellant (definitief) in kennis gesteld van de opheffing van de functie, aangeduid als UD Industriële Organisatie. De rechtbank heeft de daartegen aangevoerde grief (ook) naar het oordeel van de Raad ten onrechte verworpen. Blijkens de onder 1.1 weergegeven feiten en omstandigheden heeft appellant vanaf 2002 die functie niet meer vervuld. Hij is toen de functie gaan vervullen van UD DLCE zonder dat daaraan een tijdelijk karakter werd verleend. Dat de werkzaamheden in deze laatste functie in een gesprek met de decaan eind oktober 2004 “tijdelijk zijn gemaakt”, bevestigt dat standpunt. Het college heeft appellant dus ten onrechte ontheven uit een functie die hij niet (meer) vervulde en heeft appellant daarom ook ten onrechte aangemerkt als (in verband daarmee) boventallig.

5.2.2. De Raad merkt ten overvloede nog op dat hij appellant kan volgen in zijn opvatting dat de hier aan de orde zijnde verandering in de organisatie niet was te kwalificeren als een organisatieveranderingsproces van categorie 1 in de zin van de Reorganisatiecode TU Delft. Hij wijst op de omvang van de verandering en op het ontbreken van overeenstem-ming met alle betrokken medewerkers. Dit laat onverlet dat het college wellicht ten aanzien van de medezeggenschapsorganen en jegens andere personeelsleden dan appellant zorgvuldig heeft gehandeld.

5.2.3. De Raad komt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Omdat dat beroep wel doel treft, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat het aan het primaire besluit van 8 december 2005 klevende gebrek niet kan worden hersteld bij een nieuwe beslissing op bezwaar, zal de Raad zelf dat besluit herroepen.De Raad zal, gelet op het tijdig door appellant gedane verzoek om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, het college met toepassing van de artikelen 8:75 en 7:15 van de Awb in deze kosten veroordelen. Deze worden begroot op € 644,- wegens verleende rechtsbijstand.

6. De Raad acht verder termen aanwezig het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,- wegens in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op € 644,- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Met de onder 5.1.2 en 5.2.3 begrote kosten bedragen de te vergoeden kosten in totaal

€ 2.012,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 8 december 2005;

Veroordeelt het college in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.012,50, te betalen door de Technische Universiteit Delft;

Bepaalt dat de Technische Universiteit Delft aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 355,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

Q