Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2880

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2009
Datum publicatie
16-02-2009
Zaaknummer
07-2385 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juiste vaststelling medische beperkingen. De Raad acht het niet aannemelijk dat er ten tijde in geding sprake was van een nekhernia. Voor een schorsing dan wel heropening van het onderzoek ziet de Raad geen aanleiding. Appellant wordt op de datum in geding in staat geacht de voorgehouden functies te kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2385 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 maart 2007, 06/7343

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J. ten Seldam, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv de Raad nadere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ten Seldam, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als machinebediende, is op 9 december 1999 uitgevallen als gevolg van een bedrijfsongeval. Bij besluit van 25 januari 2001 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 7 december 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 18 juli 2003 is de mate van arbeidsongeschiktheid per 12 april 2002 vastgesteld op 45 tot 55%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft er in het jaar 2005 medisch en arbeidskundig onderzoek plaats gevonden. De uitkomsten van deze onderzoeken hebben geleid tot het besluit van 12 oktober 2005. Daarbij is de WAO-uitkering van appellant per 11 december 2005 ingetrokken, omdat zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts een nader medisch onderzoek ingesteld, waarbij hij psychiater W.M.J. Hassing heeft verzocht een expertiseonderzoek uit te voeren. Deze concludeerde in zijn rapport van 30 mei 2006 dat er sprake lijkt te zijn van een chronische depressie die waarschijnlijk in stand wordt gehouden door de psychosociale problemen van appellant. De lichamelijke klachten lijken samen te hangen met de onderliggende persoonlijkheidskenmerken van appellant, waarbij is opgemerkt dat appellant geneigd is om spanningen om te zetten in lichamelijke klachten. Als behandeloptie is, naast praktische ondersteuning gericht op de sociaal maatschappelijke problemen, een activerende begeleiding geïndiceerd waarbij terugkeer naar het arbeidsproces als belangrijke stap wordt gezien. De uitkomst van het rapport heeft geleid tot een aanpassing van de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) door de bezwaarverzekeringsarts door toevoeging van enkele lichte beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Vervolgens heeft de bezwaararbeidskundige, na beoordeling van de geduide functies aan de hand van de aangepaste FML, vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is door appellant staande gehouden dat hij gelet op zijn psychische klachten, nekklachten en andere pijnklachten meer beperkt is dan is aangenomen en dat hij niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden om arbeid te verrichten. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de bevindingen van psychiater Hassing door de bezwaarverzekeringsarts niet op de juiste wijze zijn geïnterpreteerd. Ter onderbouwing van deze grief heeft appellant verwezen naar een rapport van de GGD-arts L. Kwast van 23 juni 2006. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat hij in verband met zijn angst voor machines geen functies kan uitoefenen waarbij hij machines moet bedienen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Op basis van dossierstudie, het besprokene op de hoorzitting en medische gegevens van derden, waaronder de rapportage van psychiater Hassing, heeft de bezwaarverzekeringsarts, gelet op het feit dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in het Schattingsbesluit, geconcludeerd dat er geen reden is om te oordelen dat bij appellant sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Naar zijn mening heeft de verzekeringsarts terecht een FML opgesteld. Ten aanzien van de door de verzekeringsarts opgestelde FML heeft hij geoordeeld dat er aangaande appellant ten onrechte geen psychische beperkingen zijn aangegeven, nu uit de expertise van psychiater Hassing naar voren komt dat sprake is van een milde tot matig ernstige depressie alsmede persoonlijkheidsproblematiek. Gelet op het feit dat een belangrijk deel van de klachten van appellant gekleurd worden door persoonlijkheidskenmerken en sociale problemen, welke naar zijn mening geen uiting zijn van ziekte, heeft hij aangenomen dat er sprake is van psychische beperkingen van lichte aard. Vervolgens is de bezwaarverzekeringsarts overgegaan tot aanpassing van de FML zoals eerder vermeld onder 1.3 en heeft hij beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren.

4.2. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de voorliggende stukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden om tot de conclusie te komen dat de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts tot onjuiste of niet naar behoren onderbouwde conclusies hebben geleid. Hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat en derhalve ten onrechte duurzaam benutbare mogelijkheden zijn aangenomen, heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen brengen. Allereerst acht de Raad het door GGD-arts Kwast in het kader van de weging van de bijstandsuitkering op 23 juni 2006 uitgebrachte rapport - waarin wordt geconcludeerd dat appellant tijdelijk volledig arbeidsongeschikt is - daartoe niet toereikend nu dit rapport geen betrekking heeft op de datum hier in geding en er aan deze rapportage geen medische onderbouwing ten grondslag ligt. Daarbij merkt de Raad onder verwijzing naar het gestelde onder 1.3. nog op dat psychiater Hassing als behandeloptie terugkeer naar het arbeidsproces heeft geïndiceerd.

Voorts is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van psychiater Hassing op juiste wijze heeft weergegeven in de FML. Het feit dat psychiater Hassing de depressie heeft gekenmerkt als matig en de bezwaarverzekeringsarts als mild tot matig ernstig maakt dat niets anders, nu niet de diagnose op zichzelf doorslaggevend is maar de vaststelling van de beperkingen.

Tot slot is de Raad van oordeel dat de ter zitting betrokken, maar niet nader gespecificeerde, stelling dat bij appellant onlangs een nekhernia is geconstateerd, hem geen aanleiding geeft om aan te nemen dat appellant op de datum in geding meer beperkt was dan is weergegeven in de FML. Daarbij heeft de Raad van belang geacht dat in het overzichtsjournaal van de huisarts, welke gegevens bevat tot 29 september 2005, geen melding wordt gemaakt van een nekhernia, de verzekeringsarts bij lichamelijk onderzoek op 1 september 2005 geen afwijkingen aan de nek heeft geconstateerd, op de röntgenfoto van de nek - welke is gemaakt in juni 2005 - geen afwijkingen zijn geconstateerd, en appellant tijdens de hoorzitting in bezwaar geen melding heeft gemaakt van een nekhernia. De Raad acht het dan ook niet aannemelijk dat er ten tijde in geding sprake was van een nekhernia. Voor een schorsing dan wel heropening van het onderzoek ziet de Raad dan ook geen aanleiding.

5. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen er op neerkomend dat appellant, gelet op de voor hem vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat geacht moest worden tot het verrichten van de door de arbeidsdeskundige aan hem voorgehouden functies machinebediende kunststofverwerkende industrie, magazijn, expeditiemedewerker, medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) en lederbewerker. Ten aanzien van de eerst ter zitting aangevoerde grief dat in de laatstgenoemde functie een opleidingseis is gesteld waaraan appellant gelet op zijn opleidingsniveau niet kan voldoen, overweegt de Raad dat, wat daar ook van zij, indien deze functie zou vervallen er voldoende passende functies resteren en de mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigt.

6. Uit het overwogene in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL