Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2009
Datum publicatie
16-02-2009
Zaaknummer
05-4113 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. Er bestaat aanleiding een deskundige te benoemen. Kan niet worden aangenomen dat aan de eis dat een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten geen arbeid kan of mag verrichten is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4113 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juni 2005, 05/37 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2007. Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door mr. Van Ham, voornoemd. Voor het Uwv is verschenen mr. P.J. Reith.

De Raad is tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmede het onderzoek is heropend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 25 april 2008. Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door mr. Van Ham. Voor het Uwv is verschenen mr. M.S. Winkel.

De Raad is wederom tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmede het onderzoek opnieuw is heropend.Het onderzoek ter zitting is hervat op 5 december 2008. Appellante is in persoon verschenen bijgestaan door mr. Van Ham. Voor het Uwv is verschenen J. van den Elsakker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 december 2002 heeft het Uwv geweigerd appellante, geboren op [geboortedatum], ingaande 30 oktober 2001 een WAJONG-uitkering toe te kennen in verband met op 1 november 2000 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Appellante is voor minder dan 25% arbeidsongeschikt geacht. Aan dit besluit ligt onder meer ten grondslag eenFunctionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 september 2002.

1.2. Bij uitspraak van 24 mei 2004 heeft de rechtbank met beslissingen over de proceskosten en het betaalde griffierecht het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 1 april 2003, waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 december 2002 ongegrond is verklaard, gegrond verklaard, het besluit van 1 april 2003 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

1.3. Bij deze uitspraak kon de rechtbank zich verenigen met de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het besluit van 1 april 2003, doch niet met de arbeidskundige grondslag daarvan. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat niet is komen vast te staan dat de bij dit besluit in aanmerking genomen functies die appellante zou kunnen vervullen, met alle daaraan verbonden specifieke aspecten inzake belasting, beloning, arbeidsplaatsen en dergelijke ten tijde van belang op de arbeidsmarkt voorkwamen.

1.4. Bij besluit van 20 september 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 december 2002 wederom ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.5. Inmiddels had appellante een nieuwe aanvraag om een WAJONG-uitkering ingediend en wel op 29 april 2004. Daarbij heeft zij gesteld dat er sprake is van een toename van haar klachten, voortvloeiende uit een chronisch vermoeidheidssyndroom. Haar klachten heeft zij als volgt omschreven: voortdurende ernstige vermoeidheid, hoofdpijn, misselijkheid, gewrichtspijnen, voedselintolerantie, diarree, allergie en onvermogen om te kunnen concentreren. Lopen en fietsen zijn beperkt mogelijk. Naar haar stelling verergeren deze klachten geleidelijk.

1.6. Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het Uwv geweigerd de door appellante gevraagde arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen op de grond dat sedert 1 januari 2003 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Aan dit besluit ligt een verzekeringsgeneeskundige rapportage, gedateerd 21 juni 2004, ten grondslag waarin is gesteld dat de belastbaarheid van appellante niet is gewijzigd ten opzichte van haar belastbaarheid, zoals omschreven in de FML van 25 september 2002.

1.7. Nadat een bezwaarverzekeringsarts in een rapportage van 29 november 2004 de bevindingen, zoals neergelegd in voormelde rapportage van 21 juni 2004, had onderschreven, heeft het Uwv bij besluit van 3 december 2004 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 juni 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 22 juni 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er geen grond is om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat de arbeidsongeschiktheid van appellante niet is toegenomen.

3.1. De Raad heeft op grond van de gedingstukken en gelet op hetgeen partijen in hoger beroep over en weer hebben gesteld, na de zitting van 22 juni 2007 aanleiding gezien de internist dr. Th.M. Erwteman te benoemen tot deskundige voor het instellen van een onderzoek.

3.2. Dr. Erwteman heeft op 10 oktober 2007 gerapporteerd. Desgevraagd heeft dr. Erwteman nader gerapporteerd bij brieven van 14 december 2007 en 23 april 2008.

In zijn brief van 23 april 2008 heeft hij geconcludeerd dat, “zoals te verwachten valt worden ook door mij geen “harde” objectiveerbare (d.w.z. afwijkingen die uit te drukken zijn in maat en getal) afwijkingen gevonden. Wel valt in het contact het volgende op: Het verhaal dat betrokkene vertelt is volstrekt consistent en komt overeen met datgene wat door haar behandelaars in de diverse gedingstukken wordt meegedeeld. Zittend aan mijn bureau maakt betrokkene een uitgeputte, bijna uitgebluste indruk, de inspanning van de reis en het gesprek vertaalt zich in een profuus transpireren en een wankelende gang naar mijn onderzoekbank. Zeker is dat [appellante] geen werkzaamheden kan verrichten gedurende 40 uur per week. Wellicht kan zij verspreid over de dag met inachtneming van ruime rusttijden aan haar werktempo aangepaste werkzaamheden verrichten. Het is m.i. onwaarschijnlijk dat een belasting van meer dan 15 uur per week gehaald kan worden.”

3.3. Na de zitting van 25 april 2008 heeft de Raad aanleiding gezien de zenuwarts

D.H.J. Boeykens te benoemen tot deskundige voor het instellen van een onderzoek. De Raad tekent hierbij aan dat dr. Erwteman in zijn rapport van 10 oktober 2007 de Raad al in overweging had gegeven een psychiater/neuroloog te raadplegen.

3.4. In zijn rapport van 10 september 2008 heeft deze zenuwarts aangegeven dat bij appellante sprake is van een als psychiatrische ziekte aan te merken ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Hiervan was ook al sprake op de in dit geding van belang zijnde datum 1 januari 2003. Naar zijn mening is de belastbaarheid van appellante per 1 januari 2003 juist weergegeven in de FML van 25 september 2002.

3.5. De Raad kent in dit geding doorslaggevende betekenis toe aan de bevindingen en de conclusies van Boeykens en volgt dan ook niet dr. Erwteman in zijn hiervoor weergegeven conclusie. Naar het oordeel van de Raad blijkt niet, althans onvoldoende dat deze conclusie, naar objectieve maatstaven gemeten, voortvloeit uit ziekte of gebrek. Zijn conclusie is, zoals hij zelf ook heeft aangeven, in hoofdzaak gebaseerd op het verhaal van appellante en is niet gebaseerd op medische onderzoeksbevindingen.

3.6. Aan het vorenstaande kan niet afdoen het door appellante nog in geding gebrachte schrijven van haar behandelend psychotherapeut van 29 oktober 2008, waarin deze therapeut uitgaande van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een depressie een urenbeperking bepleit. Evenmin kunnen aan het vorenstaande afdoen de verklaringen van artsen en behandelaars van appellante, op welke verklaringen appellante een beroep heeft gedaan. Naar vaste rechtspraak pleegt de Raad zijn deskundige te volgen behoudens bijzondere omstandigheden. Omstandigheden als evenbedoeld acht de Raad niet aanwezig. Tevens heeft de Raad hierbij in aanmerking genomen de reactie van een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van 11 november 2003.

3.7. Met het hiervoor overwogene is gegeven dat, anders dan door appellante is betoogd, de Raad te dezen geen bijzonder geval aanwezig acht waarin kan worden aangenomen dat aan de eis dat een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten geen arbeid kan of mag verrichten is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven.

3.8. De Raad komt derhalve tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en

R.P.T.H. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C. Palmboom.

JL