Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
07-825 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tot het verlenen van een vaste aanstelling na het einde van de proeftijd. Op grond van de beoordeling, waarbij de functievervulling in het geheel met een onvoldoende is gewaardeerd is genoegzaam vast komen te staan dat appellant niet heeft voldaan aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid. Appellant heeft geen verzoek gedaan om verlenging van de proeftijd. De korpsbeheerder heeft er op goede gronden van kunnen afzien de proeftijd ambtshalve te verlengen: er was geen sprake van een bijzonder geval en gezien de beoordeling en de begeleiding gedurende de proeftijd was er geen reële verwachting dat appellant binnen redelijke termijn een voldoende functieniveau zou kunnen bereiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/825 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 december 2006, 05/789 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 29 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.G.H. van de Wetering. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.I. Feenstra, advocaat te Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was met ingang van 21 mei 2001 op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) aangesteld als aspirant politiesurveillant in tijdelijke dienst voor de tijd dat de basisopleiding wordt gevolgd bij de politieregio [naam regio]. Vervolgens heeft de korpsbeheerder de aanstelling van appellant met ingang van 14 november 2003 op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie gewijzigd in een aanstelling in de functie van politiesurveillant A, in tijdelijke dienst met een proeftijd van een jaar.

1.2. Op 11 maart, 13 mei, 14 juni en 5 augustus 2004 zijn met appellant gesprekken gevoerd over zijn functioneren. Op 13 oktober 2004 is een beoordeling vastgesteld over de periode van 1 november 2003 tot en met 1 november 2004 (hierna: beoordeling). De functievervulling door appellant als geheel is daarin onvoldoende beoordeeld.

1.3. Na een voornemen daartoe, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 12 november 2004 aan appellant meegedeeld dat hem geen vaste aanstelling wordt verleend na het einde van de proeftijd en dat hem met ingang van 14 november 2004 eervol ontslag wordt verleend. Dit besluit is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 7 juni 2005 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4. In artikel 89, tweede lid, van het Barp is bepaald dat aan de aspirant en de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die tegen het einde van de proeftijd bedoeld in artikel 3, tweede lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, eervol ontslag wordt verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.

4.1. De korpsbeheerder heeft aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegd dat op basis van de beoordeling het functioneren van appellant volstrekt onvoldoende is bevonden om over te gaan tot een vaste aanstelling. De Raad overweegt dat appellant tegen de beoordeling geen bezwaar heeft gemaakt, noch beroep heeft ingesteld, ten gevolge waarvan de beoordeling in rechte onaantastbaar is geworden en van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.

4.2. De Raad is met de korpsbeheerder van oordeel dat op grond van de beoordeling, waarbij de functievervulling in het geheel met een onvoldoende is gewaardeerd, genoegzaam vast is komen te staan dat appellant niet heeft voldaan aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid. Dat, zoals appellant heeft gesteld, sprake zou zijn geweest van onvoldoende begeleiding gedurende de proeftijd is de Raad niet gebleken, waarbij wordt opgemerkt dat in de gespreksverslagen van 13 mei en 5 augustus 2004 is vermeld dat appellant tevreden was over de begeleiding.

4.3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hem op grond van artikel 3, tweede lid, van het Barp, een verlenging van de proeftijd had moeten worden gegeven, omdat hij gedurende de proeftijd ongeveer 4 maanden niet heeft kunnen werken vanwege ziekte. Appellant meent dat de korpsbeheerder daarover ten onrechte geen beslissing heeft genomen in het bestreden besluit en dat er in zoverre in bezwaar geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden.

4.3.1. In artikel 3, tweede lid, van het Barp is bepaald dat indien de aspirant voldoet aan de gestelde kwalificatieeisen, hij aansluitend aan de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van één jaar, op aanvraag van de aspirant in bijzondere gevallen te verlengen of zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht.

4.3.2. Zoals de korpsbeheerder terecht heeft opgemerkt, heeft appellant geen verzoek gedaan om verlenging van de proeftijd. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpsbeheerder er op goede gronden van kunnen afzien de proeftijd ambtshalve te verlengen: er was geen sprake van een bijzonder geval en gezien de beoordeling en de begeleiding gedurende de proeftijd was er geen reële verwachting dat appellant binnen redelijke termijn een voldoende functieniveau zou kunnen bereiken.

4.3.3. Omdat appellant eerst ter zitting van de rechtbank de grief betreffende de toepasselijkheid van artikel 3, tweede lid, van het Barp heeft aangevoerd, kan, gelet op hetgeen de Raad onder 4.3.2 heeft overwogen, de grief dat het bestreden besluit op dit punt niet is gemotiveerd, geen doel treffen.

5. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het aan appellant per 14 november 2004 verleende ontslag, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, in rechte houdbaar is.

6. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD