Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
16-02-2009
Zaaknummer
08-2246 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft terecht het uitkeringsrecht van appellant beoordeeld op grond van de Wet WIA. Voor de Raad staat vast dat appellant ook op de datum in geding, toen zijn verzekering door indiensttreding bij zijn werkgever wederom aanving, reeds volledig arbeidsongeschikt was.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/105
USZ 2009/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2246 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 maart 2008, 07/269 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant trad op 31 augustus 2001 in dienst bij het [naam werkgever] ([naam werkgever]). Op 29 oktober 2001 meldde hij zich ziek. Het Uwv weigerde appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verstrekken op de grond dat appellant reeds bij aanvang van zijn verzekering volledig arbeidsongeschikt was.

2. Op 30 september 2003 trad appellant voor de bepaalde tijd van een jaar wederom bij het [naam werkgever] in dienst. Op 27 juli 2004 werd hij ziek gemeld. Bij besluit van 6 juli 2006 berichtte het Uwv appellant dat hij met ingang van 25 juli 2006 niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het bezwaar van appellant werd bij besluit van 13 december 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft bij deze besluitvorming het standpunt ingenomen dat appellant reeds bij aanvang van zijn verzekering volledig arbeidsongeschikt was.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat, omdat hij reeds op 30 september 2003 volledig arbeidsongeschikt was, gelet op de overgangsbepalingen, onder meer neergelegd in artikel 16 van de WAO en artikel 120 van de Wet WIA, de WAO in plaats van de Wet WIA van toepassing is. Voorts heeft hij gesteld dat is miskend dat appellant langer dan drie maanden werkzaamheden heeft verricht.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Artikel 43 van de Wet WIA luidt, voor zover van belang: “Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:

(…)

c. volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid;

(…)”.

Artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA luidt:

“2. Artikel 43, onderdeel c, is van toepassing indien er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid:

a. die bestond op het tijdstip van aanvang van de verzekering of ontstond tijdens een periode waarin de verzekerde op grond van artikel 64 Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing van de verplichtingen op grond van deze wet had wegens gemoedsbezwaren; of

b. die binnen een half jaar na het tijdstip van aanvang van de verzekering of na het tijdstip van eindiging van de periode, bedoeld in onderdeel a, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de verzekerde op dat tijdstip het intreden van die arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.”

Artikel 124 van de Wet WIA luidt:

“Indien een persoon op de dag voorafgaand aan de verzekering op grond van deze wet verzekerd was op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt in artikel 46 onder een ontheffing van de verplichtingen op grond van deze wet mede verstaan een ontheffing van de verplichtingen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en wordt gelezen voor:

a. aanvang van de verzekering: aanvang van de verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

b. aanvang van verzekering: aanvang van verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

c. artikel 6, eerste lid, onderdelen a of b, van de Ziektewet: artikel 6, eerste lid, onderdelen a of b, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.”

4.2. De eerste grief van appellant dat hij een uitkeringsrecht ontleent aan de WAO in plaats van aan de Wet WIA faalt. Voor een geval als het onderhavige is in artikel 124 van de Wet WIA een speciale voorziening getroffen. Deze brengt mee dat het Uwv het uitkeringsrecht van appellant terecht heeft beoordeeld op grond van de Wet WIA.

4.3. In het kader van zijn tweede grief heeft appellant een beroep gedaan op het beleid van het Uwv bij de uitvoering van het bepaalde in artikel 30 van de WAO en, zo de Wet WIA niettemin van toepassing zou zijn, op de over dit artikel gevormde jurisprudentie van de Raad die ook bij de uitvoering van de Wet WIA haar gelding zou behoren te houden.

4.4. Anders dan artikel 30 van de WAO, waarin voor het Uwv een bevoegdheid is neergelegd, kent artikel 43 van de Wet WIA uitsluitingsgronden voor het recht op uitkering. In geval een uitsluitingsgrond van toepassing is ontstaat geen recht op uitkering.

4.5. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 43 van de Wet WIA leidt de Raad af, dat de wetgever voor de toepassing van de uitsluitingsgrond onder c. inhoudelijk geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WAO. Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat de door hem gevormde jurisprudentie over deze laatste bepaling ook voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c en artikel 46 van de Wet WIA haar gelding blijft houden.

4.6. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 17 mei 2006, LJN AX4595) is voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ingevolge de WAO. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Voor de aan de onderhavige besluitvorming ten grondslag gelegde artikelen 43, aanhef en onder c en 46 van de Wet WIA zal de Raad bezien of aan deze voorwaarden is voldaan.

4.7. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat dit het geval is. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 25 juli 2006 volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Gelet op de rapportages van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts van het Uwv staat voor de Raad vast dat appellant ook op 30 september 2003, toen zijn verzekering door indiensttreding bij het [naam werkgever] wederom aanving, reeds volledig arbeidsongeschikt was. De Raad ziet geen reden voor twijfel hieromtrent op grond van de duur van de door appellant daadwerkelijk voor het [naam werkgever] verrichte werkzaamheden. Op grond van de rapportages van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv, die mede berusten op nader onderzoek bij het [naam werkgever], dient ervan te worden uitgegaan dat appellant ondanks ziekmelding eerst per 27 juli 2004, in verband met ziekte feitelijk niet meer dan slechts enkele dagen daadwerkelijk werkzaam is geweest.

5. Het hoger beroep slaagt mitsdien niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL