Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
07-2799 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Het verzekeringsgeneeskundig oordeel, dat uitsluitend betrekking heeft op appellantes beperkingen op de datum die hier beoordeeld moet worden is zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2799 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 april 2007, 06/1442 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting van een meervoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2008. Appellante is verschenen met bijstand van mr. M.J.J. Smeets, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard. Het onderzoek ter zitting is geschorst. Desgevraagd heeft het Uwv een nader stuk ingezonden. De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad. Partijen hebben wederom stukken ingezonden. Het onderzoek is hervat ter zitting van 19 november 2008. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Smeets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.J. van Daatselaar en L.H.S. Ambrosius. Aanwezig was de tolk in de Turkse taal N. Nursel.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad laat het rapport van 13 november 2008 van de bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen en de op 18 november 2008 door appellante ingezonden brief van de Riagg, van 18 november 2008, onder toepassing van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, buiten de gedingstukken. Die stukken zijn binnen de in die bepaling genoemde termijn voor de zitting van 19 november 2008 ingediend.

2. De feiten waarvan de Raad uitgaat bij zijn oordeelsvorming.

2.1. Appellante is werkzaam geweest als agrarisch medewerkster. Haar is met ingang van 21 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door de verzekeringsarts H.M.L. Dauven. De beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd ter beoordeling van appellantes resterende verdiencapaciteit. De vergelijking van die capaciteit met het maatmanloon van appellante laat een verlies aan verdienvermogen zien van minder dan 15%.

2.3. Bij besluit van 15 februari 2006 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 2 april 2006 ingetrokken op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. De bezwaarverzekeringsarts Tjen is in de daarop gevolgde bezwaarprocedure tot de conclusie gekomen dat het verzekeringsgeneeskundige oordeel van de verzekeringsarts Dauven moest worden onderschreven. Bij besluit op bezwaar van 21 juli 2006 (bestreden besluit) is appellantes bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2006 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. Zij heeft, gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zoals nader toegelicht in de beroepsprocedure, geen aanleiding gezien om het Uwv niet te volgen in het standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in voldoende mate met haar beperkingen rekening is gehouden. In hetgeen appellante hieromtrent heeft aangevoerd, namelijk dat zij meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen en niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten, heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien voor een ander oordeel. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kon, nu dat besluit niet deugdelijk was gemotiveerd de toetsing van de rechtbank niet doorstaan. Zij heeft echter de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten omdat in beroep alsnog een toereikende motivering van dat besluit is gegeven en een juiste vergelijking van het maatmaninkomen met de resterende verdiencapaciteit van appellante niet tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage zou leiden.

4. Alleen appellante is in hoger beroep gekomen tegen de aangevallen uitspraak, en slechts voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Appellante stelt zich op het standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat haar beperkingen voor het verrichten van arbeid door het Uwv onjuist zijn vastgesteld. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij om medische redenen niet in staat is de ten aanzien van haar geselecteerde functies te vervullen.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de verzekeringsartsen niet alle door appellante naar voren gebrachte klachten - die van fysieke en psychische aard zijn - bij hun beoordeling hebben betrokken. De rechtbank heeft overwogen dat de subjectieve beleving van appellante betreffende haar beperkingen niet wordt gesteund door medische rapporten en dat zowel de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de diverse behandelende artsen bij hun oordeel hebben betrokken. De rechtbank heeft dan ook onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsgeneeskundigen. De wijze waarop de klachten van appellante door de verzekeringsartsen zijn vertaald in de medische beperkingen behoort, zo heeft de rechtbank voorts overwogen, tot de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts. Zoals uit het rapport van 7 oktober 2005 blijkt, acht de verzekeringsarts wel bij appellante een aantal beperkingen aanwezig. Het bestaan van beperkingen hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet altijd arbeidsongeschiktheid met zich mee te brengen. Zij acht niet gebleken dat de klachten van appellante zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd. In ieder geval is niet gebleken dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding, niet in staat was om - binnen de voor haar geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank nog benadrukt dat aan de eigen beleving van appellante over het al dan niet kunnen werken geen doorslaggevende betekenis kan en mag worden gehecht. Appellante heeft volgens de rechtbank geen gegevens overgelegd, waaraan medische beperkingen zijn te ontlenen die naar het oordeel van de rechtbank ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank moet dan ook worden gezegd, dat het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag.

5.2. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Tijdens de gedingvoering in hoger beroep is, in de stellingen van appellante over haar medisch onvermogen om arbeid te verrichten, de nadruk komen te liggen op haar geringe psychische belastbaarheid. Zij voert aan dat, vanwege haar psychische problemen, haar belastbaarheid sterk wisselend is en dat zij lijdt aan chronisch depressief gedrag. Zij verbindt hieraan de conclusie dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft.

5.3. De Raad kan appellante niet volgen in deze stelling. Op verzoek van de verzekeringsarts Dauven heeft appellantes huisarts informatie ingezonden van de Riagg. In een brief van 26 juli 2005 van de Riagg wordt, onder verwijzing naar de DSM IV-classificatie, vermeld dat appellante een eenmalige depressieve periode heeft doorgemaakt, gedeeltelijk in remissie. Zij ondergaat een gedragstherapeutische behandeling, gericht op structurering en vergroting van activiteiten. Verzekeringsarts Dauven heeft vervolgens geconcludeerd dat appellante psychisch kwetsbaar blijft. Een volledige arbeidsongeschiktheid of urenbeperking acht hij evenwel niet aan de orde. Hij acht appellante in staat fulltime te werken in werk zonder nachtdienst, zonder veelvuldige piekbelasting, zonder hoog tempo. Tevens moet ze terug kunnen vallen op collega’s en is zij niet boven normaal te belasten met conflicten. Veelvuldig klantcontact moet vermeden worden evenals leidinggevende taken. Verder is regelmaat belangrijk waarbij zij geregeld de mogelijkheid moet hebben zonodig iets te eten. Bezwaarverzekeringsarts Tjen heeft in zijn rapport van 19 juli 2006 het oordeel van verzekeringsarts Dauven onderschreven. Naar aanleiding van appellantes stellingen in hoger beroep heeft het Uwv, onder verwijzing naar het oordeel van bezwaarverzekeringsarts Tjen betoogd dat, gezien de brief van de Riagg van 26 juli 2005, niet staande gehouden kan worden dat appellante lijdt aan een recidiverende depressie. Daarop heeft appellante brieven van de Riagg van 1 maart 2007 en 28 oktober 2008 en een ongedateerd behandelplan ingezonden. De brief van 1 maart 2007 is becommentarieerd door de bezwaarverzekeringsarts Tjen in een door het Uwv overgelegd rapport. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien zijn oordeel over appellantes beperkingen te wijzigen. De Raad overweegt dat de in hoger beroep door appellante overgelegde, van de Riagg afkomstige, stukken hem geen aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van het verzekeringsgeneeskundig oordeel dat ten grondslag ligt aan de onderhavige besluitvorming. De Raad tekent hierbij aan dat het hem voorkomt dat die stukken, gelet op de daarin vermelde DSM IV-classificatie, niet ontbloot zijn van enige tegenstrijdigheid. Een motivering van appellantes stelling dat zij met de bij haar bestaande beperkingen van psychische aard - van welke diagnose dan ook uitgegaan moge worden - niet in staat zou zijn de haar voorgehouden functies te verrichten op de datum hier in geding, kan de Raad niet lezen in de door haar overgelegde stukken. Het verzekeringsgeneeskundig oordeel, dat uitsluitend betrekking heeft op appellantes beperkingen op de datum die hier beoordeeld moet worden, 2 april 2006, is ook naar het oordeel van de Raad zorgvuldig tot stand gekomen, deugdelijk gemotiveerd en concludent. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

5.4. Ook de arbeidskundige grondslag, zoals in eerste aanleg door het Uwv gemotiveerd en desgevraagd in hoger beroep van een nadere uitleg voorzien kan het bestreden besluit dragen.

5.5. Gelet op hetgeen in 5.1 tot en met 5.4 is overwogen, moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor de veroordeling van een der partijen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.L. de Gier.

KR