Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
07-2165 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning kinderbijslag ten behoeve van haar zoon omdat haar zoon op de peildata 17 jaar was, maar niet onderwijsvolgend of werkloos was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2165 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2007, 06/2996 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 29 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2008. Appellante en haar gemachtigde zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Oudenes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij een tweetal besluiten van 1 februari 2006 heeft de Svb geweigerd aan appellante over het vierde kwartaal van 2005 en over het eerste kwartaal van 2006 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen ten behoeve van haar zoon [E.]. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat [E.] op de peildata 17 jaar was, maar dat hij niet onderwijsvolgend of werkloos was.

1.3. Bij besluit van 13 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de besluiten van

1 februari 2006 ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat [E.] zijn opleiding bij [naam instituut] te [vestigingsplaats] op

31 juli 2005 heeft beëindigd en hij pas op 28 februari 2006 opnieuw onderwijsvolgend is geworden door een cursus te gaan volgen bij het [naam College] te [vestigingsplaats].

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat uit een kennisgeving van inschrijving van 1 augustus 2005 bij [naam instituut] blijkt dat [E.] op de eerste dag van het vierde kwartaal van 2005 bij deze onderwijsinstelling ingeschreven stond. Voorts is aangevoerd dat bij berekening van de periode van onderbreking tussen de studie van [E.] bij [naam instituut] en bij het [naam College] de grote vakantie niet mag worden meegeteld. Ten slotte is aangegeven dat het voor [E.] niet mogelijk was zich op de peildatum van het eerste kwartaal van 2006 in te schrijven bij het [naam College], omdat de door hem gevolgde cursus pas met ingang van 28 februari 2006 werd aangeboden.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Tussen partijen is in geschil of [E.] op de peildata van het vierde kwartaal van 2005 en van het eerste kwartaal van 2006 voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de AKW. Hierin is bepaald dat de verzekerde voor een kind van 16 of 17 jaar slechts recht op kinderbijslag heeft indien het kind - voor zover hier van belang - in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende tenminste 213 klokuren per kwartaal dan wel werkloos is.

4.3. De Raad stelt vast dat appellante op de door haar op 15 december 2005 ingevulde onderhoudsverklaring bij punt 4 heeft ingevuld dat [E.] werkzoekend was en dat hij zijn opleiding bij [naam instituut] op 22 juli 2005 heeft beëindigd. Desgevraagd heeft [naam instituut] de Svb meegedeeld dat [E.] tot en met 31 juli 2005 een opleiding aan deze instelling heeft gevolgd. Nu voorts vaststaat dat [E.] eerst op 28 februari 2006 de cursus AKA aan het [naam instituut] is gaan volgen, heeft de Svb terecht geconcludeerd dat hij op de peildata van de in geding zijnde kwartalen niet onderwijsvolgend was. Uit het bovenstaande blijkt tevens dat de periode van onderbreking van de studie langer is geweest dan zes maanden, zodat niet gezegd kan worden dat [E.] gedurende de in geding zijnde periode nog geacht wordt les te volgen en ook op die grond geen aanspraak op kinderbijslag kan ontlenen.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2009.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) W. Altenaar.

OA