Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
06-6949 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag eerdere ingangsdatum WAO-uitkering afgewezen. Uwv heeft aanvraag ten onrechte aangemerkt als 4:6 Awb situatie. Geen herhaalde aanvraag maar een nieuwe aanvraag. Immers de tweede aanvraag heeft betrekking op een veel eerder gelegen eerste arbeidsongeschiktheidsdag die nog niet door het Uwv was beoordeeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6949 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 november 2006, 06/857 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Mr. J. Withaar heeft bij brief van 12 maart 2007 de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 30 mei 2008. Appellant is -met voorafgaand bericht- niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen de heer A.G. Lavrijsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die tot 1 september 2003 werkzaam was bij [naam werkgever], heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 4 december 2003 (wederom) ziek gemeld. Bij besluit van 22 november 2004 heeft het Uwv aan hem met ingang van 2 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. Bij schrijven van 3 maart 2005 heeft appellant aan het Uwv voorgehouden dat uit zijn dossier blijkt dat zijn arbeidsongeschiktheid wezenlijk een jaar eerder is ingetreden dan tot dan toe was aangenomen.

1.3. Het Uwv heeft deze brief aangemerkt als een herhaalde aanvraag en deze bij besluit van 28 april 2005 met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die er toe leiden dat de eerder genomen beslissing van 22 november 2004 onjuist zou zijn. Na bezwaar is de afwijzing van de aanvraag bij besluit van 26 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) gehandhaafd.

2.1. In beroep heeft appellant nogmaals aangevoerd dat op grond van alle stukken in het dossier toch duidelijk moet zijn dat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 4 december 2002 moet worden gesteld.

2.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift wederom naar artikel 4:6 van de Awb verwezen:

"Het geheel overziende is de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 19 januari 2006 tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De verstrekte informatie bevestigt uitsluitend hetgeen reeds bekend was ten tijde van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en geeft geen ander beeld van de aard en het beloop van de medische problematiek dan ook uit het rapport van de verzekeringsarts WAO is op te maken."

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard waarbij is overwogen dat geen sprake is van nova en dat het Uwv bevoegd was toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb en van die bevoegdheid niet in strijd met de redelijkheid gebruik heeft gemaakt.

4.1. In hoger beroep heeft appellant, deels bij monde van zijn gemachtigde, zijn reeds eerder geformuleerde grieven in grote lijnen herhaald en voorts uiteengezet waarom er in zijn visie wel sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Hierop is door het Uwv bij verweer uitgebreid gereageerd.

5.1. De Raad stelt allereerst vast dat in het besluit van 22 november 2004 niet is beslist over een eerdere arbeidsongeschiktheid dan die welke volgens eigen opgave destijds van appellant zou zijn ingetreden in december 2002. Uit de dossierstukken maakt de Raad op dat nu appellants eerdere aanvraag daarop niet was gericht, het Uwv een mogelijke eerdere arbeidsongeschiktheidsdatum ook niet in zijn onderzoek heeft betrokken.

5.2. De Raad oordeelt dat afwijzing met een beroep op artikel 4:6 van de Awb in de onderhavige situatie niet aan de orde is. De tweede aanvraag bij voornoemd schrijven van 3 maart 2005 is geen herhaalde aanvraag maar een nieuwe aanvraag. Immers de tweede aanvraag heeft betrekking op een veel eerder gelegen eerste arbeidsongeschiktheidsdag die nog niet door het Uwv was beoordeeld. De situatie van artikel 4:6 van de Awb deed zich hier dan ook niet voor.

6.1. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wat betreft motivering en voorbereiding een zodanig inadequate reactie op het verzoek van appellant is dat het niet in stand kan blijven. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd.

6.2. Ter voorlichting van appellant merkt de Raad nog op dat dit oordeel niet meebrengt dat hij thans met ingang van de door hem gewenste datum blijvend recht op uitkering ingevolge de WAO zal kunnen doen gelden, maar wel dat het Uwv hierover nog een nieuw besluit dient te nemen.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

TM