Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
07-2574 WWB + 07 - 5277 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Geen melding heeft gemaakt van twee inwonende meerderjarige zoons met een eigen inkomen. Schending inlichtingenverplichting. Bestuursrechter niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2574 WWB

07/5277 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 maart 2007, 06/576 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 27 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.L. Gijsberts, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en op 6 juni 2007 een nader besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2008. Voor appellante is mr. Gijsberts verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante ontving sedert 28 augustus 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.3. Bij besluit van 26 april 2005 heeft het College de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2005 herzien met dien verstande dat de eerder verleende toeslag van 20% alsnog is omgezet in 14%. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante geen melding heeft gemaakt van twee inwonende meerderjarige zoons met een eigen inkomen. Tevens is besloten de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.836,20 van haar terug te vorderen.

1.4. Bij besluit van 5 december 2005 heeft het College het tegen het besluit van 26 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 5 december 2007 ingestelde beroep, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat tot 1 april 1998 geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de gemeente er tijdig van in kennis heeft gesteld dat haar beide zoons, [G.] en [J.], ten gevolge van de naweeën van een verkeersongeluk tijdelijk bij haar in huis verbleven.

3. Bij besluit van 6 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2005 alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard, de herziening beperkt tot de periode van 1 april 1998 tot en met 31 januari 2005 en het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 8.037,97.

4. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Met betrekking tot de aangevallen uitspraak.

5.1.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat beide zoons van appellante ten tijde in geding bij haar hebben ingewoond, zodat sprake was van medebewoning. De Raad neemt daarbij in aanmerking de aanleiding voor het huisbezoek op 2 februari 2005 (onder meer gelegen in het feit dat bij telefonische contacten met de Dienst Sociale Zaken de telefoon steeds door een van beide zoons werd opgenomen), het aantreffen van beide zoons in de woning bij het onaangekondigde huisbezoek, de volledig ingerichte kamers van de zoons met hun kleding en persoonlijke bezittingen, de verklaring van zoon [G.] dat hij sedert 1997 op het adres van zijn moeder verblijf houdt (welke verklaring op 11 april 2005 nogmaals door hem is herhaald), het gegeven dat de dagelijkse post van [J.] en het dagblad de Telegraaf op het adres van appellante werden bezorgd en tot slot de tijdens het huisbezoek door appellante afgelegde verklaring waaruit moet worden afgeleid dat beide zoons ten tijde in geding hun hoofdverblijf in de woning (nog) niet hadden beëindigd. Dat de verklaringen van zoon [G.] buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten omdat hij als gevolg van hersenletsel aan vergeetachtigheid zou leiden, kan de Raad, in het licht van de overige gegevens en het feit dat deze stelling niet met objectieve medische gegevens is onderbouwd, niet volgen. Het moet er dus voor worden gehouden dat ten tijde in geding onafgebroken sprake is geweest van medebewoning in de zin van de Verordening toeslagen en verlagingen bijstandsnorm van de gemeente ’s-Gravenhage, zodat ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, bezien in samenhang met artikel 10, aanhef en onder a, van de genoemde verordening, een toeslag van 14% was aangewezen. Door van deze medebewoning geen melding te maken bij het College heeft appellante de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

5.1.2. Dat het openbaar ministerie in de strafzaak heeft besloten appellante niet (verder) te vervolgen doet aan het voorgaande niet af. Zoals de Raad al meermalen heeft overwogen is de bestuursrechter immers niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter of het openbaar ministerie, te minder nu in een strafzaak een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

5.1.3. Uit hetgeen onder 5.1.1 en 5.1.2 is overwogen volgt dat het College bevoegd was tot herziening van de bijstand over de periode van 1 april 1998 tot en met 31 januari 2005. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot herziening van de bijstand.

5.1.4. Uit onderdeel 5.1.3 vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College de bevoegdheid toekwam om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van de beleidsregels had moeten afwijken.

5.2. Het nadere besluit van 6 juni 2007.

5.2.1. De Raad zal dit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit met (overeenkomstige) toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Awb mede bij de beoordeling betrekken.

5.2.2. De Raad stelt vast dat het College, gelet op hetgeen onder 5.1.1 tot en met 5.1.4 is overwogen, op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak, zodat het beroep voor zover dat geacht moet worden mede betrekking te hebben op het besluit van 6 juni 2007, ongegrond moet worden verklaard.

5.3. Slotoverwegingen.

5.3.1. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking en dient het beroep tegen het nadere besluit van 6 juni 2007 ongegrond te worden verklaard.

5.3.2. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 juni 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en G.W.B. van Westen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

OA