Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
07-4817 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Bij de opgelegde verplichting te verschijnen op de gesprekken gaat het om een verplichting mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in art. 9 WWB en niet om het verstrekken van inlichtingen of het verlenen van medewerking als bedoeld in art. 54 WWB. Bij verwijtbare niet-nakoming van een dergelijke verplichtingis verlaging uitkering ogv art 18 WWB aan de orde. Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4817 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 5 juli 2007, 07/757 en 07/698 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.J. Smeets, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2009. Appellante is verschenen met bijstand van

mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat te Weert. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 11 september 2006 is zij namens het College uitgenodigd voor een gesprek op 12 oktober 2006 over haar wens tot het verrichten van vrijwilligerswerk. Op dit gesprek is zij niet verschenen. Om die reden heeft het College bij ongedateerd besluit met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB haar recht op bijstand opgeschort en haar op grond van het tweede lid uitgenodigd voor een gesprek op 17 oktober 2006 ter beoordeling van haar arbeidsmogelijkheden. Ook toen is appellante niet verschenen.

1.2. Bij besluit van 17 november 2006 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2006 ingetrokken. Hieraan heeft het College de overweging ten grondslag gelegd dat appellante, door niet te reageren op de beide uitnodigingen voor een gesprek, niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting.

1.3. Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 november 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat het opschortingsbesluit in rechte onaantastbaar is geworden, dat appellante door niet op de gesprekken te verschijnen de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, dat die schending haar kan worden tegengeworpen en dat het College derhalve op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was de bijstand in te trekken.

3. In hoger beroep heeft appellante vooral aangevoerd dat het College op de aangegeven grond niet bevoegd is het recht op bijstand in te trekken, doch hooguit om een maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. In haar geval is echter ook voor zo’n maatregel geen plaats, omdat haar niet kan worden verweten dat zij niet op de gesprekken is verschenen. De uitnodiging voor 12 oktober 2006 heeft zij niet ontvangen en de uitnodiging voor 17 oktober 2006 pas geruime tijd na die datum. Ter ondersteuning van deze stelling heeft appellante, die woont op huisnummer [nr.], een verklaring overgelegd van de buurvrouw van huisnummer [nr.], waarin deze stelt herhaaldelijk voor appellante bestemde post in haar brievenbus te krijgen.

4. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In artikel 17, eerste lid, tekst tot 1 januari 2008, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge het tweede lid is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

5.2. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB - voor zover hier van belang - kan, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. In het tweede lid is bepaald dat het college van de opschorting mededeling doet aan de belanghebbende en hem uitnodigt binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Ingevolge het vierde lid kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

5.3. Het College heeft aan de intrekking van de bijstand het bepaalde in artikel 54, vierde lid, van de WWB ten grondslag gelegd. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 30 januari 2007, LJN AZ8403, 8 januari 2008, LJN BC2387 en

11 november 2008, LJN BG4008, acht de Raad dit niet juist. Bij de aan appellante opgelegde verplichting te verschijnen op de gesprekken van 12 en 17 oktober 2006 gaat het om een verplichting mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder b, van de WWB en niet om het verstrekken van inlichtingen of het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de WWB. Dit brengt mee dat bij verwijtbare niet-nakoming van een dergelijke verplichting geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 54, vierde lid, van de WWB doch dat een verlaging op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB aangewezen is.

5.4. Reeds op grond van het voorgaande kan het besluit van 27 maart 2007 geen stand houden. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 27 maart 2007 gegrond verklaren en het besluit wegens strijd met de wet vernietigen.

5.5. Met het oog op een finale beslechting van het geschil is de Raad nagegaan of het College kan worden gevolgd in zijn opvatting dat de in het besluit genoemde gedragingen appellante kunnen worden verweten. Van verlaging van de bijstand dient immers te worden afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Op grond van de gedingstukken is de Raad van oordeel dat appellante niet kan worden verweten dat zij aan de uitnodigingen voor de gesprekken geen gehoor heeft gegeven. Onvoldoende is komen vast te staan dat deze uitnodigingen haar tijdig hebben bereikt. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in het opschortingsbesluit, waarin tevens de uitnodiging voor het gesprek van 17 oktober 2006 was vervat, geen dagtekening is vermeld en ook de vermelding "Verzenddatum:" is opengelaten. Voorts heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde hier van belang problemen met de postbezorging ondervond en kan het College op grond van de beschikbare gegevens niet staande houden dat appellante die problemen aan zichzelf te wijten had. Dit betekent dat bij gebreke van verwijtbaarheid in dit geval ook voor een verlaging van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB geen plaats is. Gelet hierop zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit van 17 november 2006 herroepen.

5.6. Het door appellante op grond van artikel 8:73 van de Awb gedane verzoek om schadevergoeding is ter zitting beperkt tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen bijstand. Overeenkomstig vaste rechtspraak dient deze rente over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering te worden berekend vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarop de bijstand betrekking heeft, in dit geval dus met ingang van 1 november 2006, tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover rente wordt berekend dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

5.7. Nu het primaire besluit wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid wordt herroepen, komt het door appellante op grond van artikel 7:15 van de Awb gedane verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure voor inwilliging in aanmerking. De Raad zal het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in deze kosten veroordelen tot een bedrag van € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

5.8. De Raad acht voorts termen aanwezig om het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten wegens aan appellante in eerste aanleg en in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van

€ 1.288,-- en wegens reiskosten tot een bedrag van € 45,10, in totaal derhalve € 1.333,10.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 maart 2007 gegrond en vernietigt dit besluit;

Herroept het besluit van 17 november 2006;

Veroordeelt de gemeente Weert tot vergoeding aan appellante van wettelijke rente zoals onder 5.6 omschreven;

Veroordeelt het College in de kosten van het bezwaar en in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 1.977,10, te betalen door de gemeente Weert aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Weert aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ