Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
07-4822 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid voor maatgevende arbeid. Nader besluit. Urenomvang maatman. Maatmaninkomen. In de loop van de procedure zijn door de bezwaararbeidsdeskundige verschillende redeneringen gevolgd en wisselende standpunten ingenomen. Een dergelijke gang van zaken brengt mee dat de motivering van het bestreden besluit in dit verband inconsistent en ontoereikend is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/104
USZ 2009/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4822 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 juli 2007, 07/6 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. Bruin, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bruin. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 mei 2006.

1.2. Appellant heeft zich op 18 november 1999 ziek gemeld vanuit een situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving. Na afloop van de wachttijd is door het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, die per 1 december 2001 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Als maatgevende arbeid is hierbij, volgens de rapportage van arbeidsdeskundige A. Goumare van 26 maart 2001, uitgegaan van de functie voorman schoonmaak met een werkweek van 38 uur en een maatmanuurloon van fl 35,85.

2.1. Na een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant heeft het Uwv bij besluit van 28 april 2005 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 juni 2005 ingetrokken omdat appellant geschikt wordt geacht voor de maatgevende arbeid.

2.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Een bezwaarverzekeringsarts heeft op 26 september 2005 de beperkingen van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst. Bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk heeft de omvang van de maatgevende arbeid gewijzigd in 61,25 uur per week, het maatmanuurloon gewijzigd in € 11,63 en na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (hierna: CBBS) een aantal functies gevonden die geschikt bevonden worden voor appellant en een verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld van 11,98%.

2.3. Bij het besluit van 31 oktober 2005 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 april 2005 gegrond verklaard. Appellant wordt per 28 juni 2005 ongewijzigd voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt geacht en per 8 december 2005 voor minder dan 15% op grond waarvan de WAO-uitkering per laatstgenoemde datum is ingetrokken.

3.1. Het beroep van appellant is bij uitspraak van 30 mei 2006 door de rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 31 oktober 2005 vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3.2. Bij het bestreden besluit van 21 november 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 8 december 2005 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

4. Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende zorgvuldig is geweest en acht de verschillende berekeningen van de bezwaararbeidsdeskundige logisch, consistent en volgbaar.

5. In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt dat hij ongewijzigd recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat het Uwv over onvoldoende loongegevens beschikte om tot een nieuwe omvang van de maatman en het maatmanuurloon te kunnen komen en dat de rekenmethode van de bezwaararbeidsdeskundige onjuist is.

6.1. Aan de Raad ligt de vraag voor of hij de rechtbank volgt in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad overweegt als volgt.

6.2.1. Bij de eerste toekenning van de WAO-uitkering met ingang van 16 november 2000 – na het einde van de wachttijd – heeft het Uwv de urenomvang van de maatman vastgesteld op 38 uur per week en het maatmaninkomen op ƒ 35,85 per uur (€ 16,27). Deze vaststelling berustte op de destijds beschikbare gegevens van de werkgever, van de afdeling werkloosheidswet van (het toenmalige) Cadans en de gegevens neergelegd in een ‘Wao rapport Inkomensonderzoek’ van 7 februari 2001. Daarbij is ook betrokken de informatie die appellant verstrekte. Bij de daarop volgende herziening van de WAO-uitkering in 2001 is het Uwv opnieuw uitgegaan van een urenomvang van 38 uur.

Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige N.A.A. van Schaik van 8 november 2001 blijkt dat het maatman¬inkomen na indexering is bepaald op ƒ 39,08 (€ 17,73).

6.2.2. Ook wat betreft de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid die in deze zaak ter beoordeling staat, is in eerste instantie door het Uwv uitgegaan van een urenomvang van de maatman van 38 uur, waarbij het maatmaninkomen na indexering is bepaald op € 18,80. In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaararbeids-deskundige nadien in de rapportage van 5 oktober 2005 uiteengezet dat de omvang van de maatman moet worden vastgesteld op 61,25 uur per week en het maatmaninkomen – mede gelet op die urenomvang – op € 13,35. In de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2006 is vervolgens overwogen dat de vaststelling van de urenomvang van de maatman met te veel onduidelijkheid was omgeven en dat de bezwaararbeidsdeskundige de gewijzigde vaststelling van het maatmaninkomen nader met stukken had moeten onderbouwen. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 16 november 2006 gesteld dat de urenomvang van de maatman 40 uur is, waarna in de rapportages van 6 maart 2007 en 4 september 2007 een urenomvang van 38 uur is genoemd. In laatstgenoemde rapportages is uitgegaan van een maatmaninkomen van € 13,35 waarbij de bezwaararbeidsdeskundige bij de berekening daarvan kennelijk wel is uitgegaan van gemiddeld 12,25 gewerkte uren per dag, dat wil zeggen 61,25 uur per week. De totale verdiensten van appellant in de referteperiode zijn immers gedeeld door laatstgenoemd aantal uren.

6.2.3. De Raad leidt uit het voorgaande af dat het Uwv bij de toekenning van de WAO-uitkering in 2000 (en nadien) op basis van de toen bekende gegevens is uitgegaan van een maatman van 38 uur. Op basis van die urenomvang is een maatmaninkomen bepaald van – na indexering – laatstelijk € 18,38. Gelet daarop en gelet op de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2006 is naar het oordeel van de Raad de in bezwaar gewijzigde benadering door het Uwv van de maatman en het maatmaninkomen alleen dan aanvaardbaar, indien aan de hand van voldoende concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk wordt gemaakt dat de benadering in het verleden onjuist was en dat de huidige benadering wél de juiste is. Daarin is het Uwv niet geslaagd. De Raad constateert dat in de loop van de procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep verschillende redeneringen zijn gevolgd door de bezwaararbeidsdeskundige en wisselende standpunten zijn ingenomen. Een dergelijke gang van zaken brengt mee dat de motivering van het bestreden besluit in dit verband inconsistent en ontoereikend is. Dat ook appellant verschillende standpunten heeft ingenomen over de omvang van de maatman doet daaraan niet af. Verder moet worden vastgesteld dat de verschillende redeneringen van de bezwaararbeidsdeskundige niet berusten op nadere stukken of informatie, maar slechts een andere benadering inhouden van de reeds bekende gegevens. Ook neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaararbeidsdeskundige in laatstgenoemde rapportages enerzijds kennelijk als uitgangspunt heeft genomen een urenomvang van de maatman van 38 of 40 uur per week, maar anderzijds als uitgangspunt bij de berekening van het maatman-inkomen heeft gehanteerd een werkweek van 61,25 uur. Deze twee uitgangspunten zijn overenigbaar, temeer nu ook geen reductiefactor – in de zin van het Besluit beleidsregels uurloonschatting 2004 (Stcrt. 2004/186) – is toegepast. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv hiervoor ook geen verklaring kunnen geven. Anders dan de rechtbank acht de Raad de berekening van het maatmaninkomen (en de mate van arbeidsongeschiktheid) daarom niet deugdelijk gemotiveerd.

6.3. Hetgeen in 6.2 door de Raad is overwogen leidt er toe dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen.

6.3.1. De Raad ziet geen aanleiding het Uwv een opdracht te geven tot het nemen van een nieuw besluit. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat verder onderzoek door het Uwv naar de urenomvang van de maatman geen zin heeft, nu is gebleken dat er geen nadere gegevens meer te verkrijgen zijn. Van de werkgever en de belastingdienst zijn geen gegevens meer te verkrijgen, het Uwv kan geen nadere gegevens achterhalen en ook appellant weet niet meer precies aan te geven wat de omvang van zijn arbeidsuren isgeweest voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Het risico dat deze gegevens niet meer te achterhalen zijn, komt voor rekening van het Uwv, nu het Uwv na meer dan vijf jaar terugkomt op de aanvankelijke vaststelling van urenomvang van de maatman en het maatmaninkomen. In dat licht ziet de Raad ook niet in dat een nadere motivering door het Uwv kan worden gegeven voor de vaststelling van de maatmanomvang, mede gelet op het feit dat daarvoor al ruimschoots de gelegenheid is geweest.

6.3.2. Dat brengt naar het oordeel van de Raad mee dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden uitgegaan van een urenomvang van de maatman van 38 uur en een maatmaninkomen van € 18,80 zoals neergelegd in de rapportage van 27 april 2005 van de arbeidsdeskundige P.J.J. Hamilton. Daarvan uitgaande is de WAO-uitkering ten onrechte ingetrokken per 8 december 2005 en moet de WAO-uitkering op die datum ongewijzigd worden voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In dat licht kan de Raad volstaan met vernietiging van het bestreden besluit. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het besluit van 28 april 2005 al geacht moet worden te zijn herroepen met het bestreden besluit en dat in dat laatste besluit de intrekking van WAO-uitkering per 8 december 2005 is neergelegd. Het Uwv hoeft dus geen nieuw besluit op bezwaar te nemen.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 6,70 voor reiskosten in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 8,27 voor reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.302,97.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.302,97, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en

P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM