Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
06-6592 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering onverschuldigd betaalde TW-uitkering. Het Uwv heeft daarbij aangenomen dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij geen recht had op de aan hem toegekende TW-uitkering en dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6592 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 oktober 2006, 05/5133 TW (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2008, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontvangt met ingang van 10 oktober 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke met ingang van 6 november 2001 werd vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Appellant is met ingang van 10 oktober 2001 tevens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 2 juni 2004 met ingang van

5 mei 2004 een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend. Bij de berekening van de toeslag is uitsluitend rekening gehouden met appellants WAO-uitkering.

1.2. Nadat het Uwv bij controle gebleken was dat appellant naast een WAO-uitkering ook een WW-uitkering ontving en dat het totale inkomen van appellant gelijk was/hoger was dan de voor hem geldende grens om voor een uitkering ingevolge de TW in aanmerking te komen, heeft het Uwv de TW-uitkering van appellant bij besluit van 5 augustus 2005 met ingang van 5 mei 2004 ingetrokken. Bij een ander besluit van gelijke datum heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde TW-uitkering over de periode van 5 mei 2004 tot en met 31 juli 2005 ten bedrage van € 4.196,67 van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft daarbij aangenomen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij geen recht had op de aan hem toegekende TW-uitkering en dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 1 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) - onder meer - de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 5 augustus 2005 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij de besluiten van

5 augustus 2005 zijn gehandhaafd, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooreerst vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant van 5 mei 2004 tot en met 31 juli 2005 een inkomen had dat lag boven de voor hem geldende grens van 70% van het minimum loon, zodat appellant niet voldeed aan de in artikel 2, derde lid, van de TW neergelegde voorwaarde om voor een toeslag in aanmerking te komen. Het Uwv was naar het oordeel van de rechtbank derhalve gehouden de TW-uitkering van appellant met ingang van 5 mei 2004 te herzien. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat haar niet is gebleken van redenen op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van de herziening van appellants uitkering. De rechtbank heeft verder met betrekking tot de terugvordering over de periode van 5 mei 2004 tot en met 31 juli 2005 overwogen dat appellant de hoogte van de terugvordering niet heeft betwist en dat haar niet is gebleken van dringende redenen die het Uwv hadden moeten doen besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij nooit geweten heeft dat hij geen recht had op een TW-uitkering en dat het Uwv op de hoogte was van het feit dat hij zowel een WAO-uitkering als een WW-uitkering ontving. Voorts heeft appellant zich niet kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. De terugvordering heeft naar de mening van appellant wel degelijk ernstige financiële consequenties voor hem nu hij schulden heeft moeten maken, zijn woning op heeft moeten zeggen en zijn inboedel heeft moeten verkopen. Appellant heeft verder nog gesteld dat hij huursubsidie is misgelopen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad is, evenals de rechtbank, niet gebleken dat het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van het Uwv ten aanzien van de herziening van appellants TW-uitkering met ingang van 5 mei 2004 en de terugvordering van appellants TW-uitkering over de periode van 5 mei 2004 tot en met 31 juli 2005 onjuist is. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak neergelegde overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

5.2. De Raad is uit hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld niet gebleken dat het Uwv appellants TW-uitkering niet met terugwerkende kracht had mogen herzien. De Raad overweegt, evenals de rechtbank heeft gedaan, dat het appellant uit de ‘Berekening Toeslagenwet’ bij het besluit van 2 juni 2004, redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat het Uwv bij de toekenning van zijn TW-uitkering uitsluitend rekening heeft gehouden met zijn WAO-uitkering, zodat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag een uitkering werd verstrekt. De Raad is niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Van dringende redenen kan slechts sprake zijn, indien terugvordering voor betrokkene tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zal leiden. In dit geval is de Raad hiervan, ook indien rekening wordt gehouden met de stellingen van appellant over zijn huisvesting, niet gebleken. De Raad merkt op dat bij de invordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkene altijd blijft beschikken over de beslagvrije voet, als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM