Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
19-02-2009
Zaaknummer
07-5865 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BB5462, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het geval de werknemer niet op staande voet is ontslagen of diens arbeidsovereenkomst niet wegens een dringende reden is ontbonden, kan er toch sprake kan zijn van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a WW. Niet de ontslagroute die de werkgever heeft gekozen, maar de ontslagreden is daarvoor bepalend (LJN BH2387). De werkgever heeft geen redenen aanwezig geacht om de werknemer wegens een dringende reden te ontslaan, zodat niet is gebleken van een zo ernstige gedraging dat voor die werkgever een situatie was ontstaan die een ontslag op staande voet rechtvaardigde.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 86
RSV 2009/162
USZ 2009/69 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5865 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 september 2007, 07-2393 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Voor appellant is verschenen mr. Klinkert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, ontleend aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

1.1. Appellant is op 15 september 2000 in dienst getreden van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (hierna: KLM) en was werkzaam als [naam functie]. Deze functie wordt uitgeoefend binnen het zogenoemd beschermd gebied op Schiphol, is aangemerkt als een vertrouwensfunctie als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken en kan slechts worden vervuld nadat daarvoor een zogenoemde verklaring van geen bezwaar (hierna: VGB) is afgegeven. Nadat KLM op 8 augustus 2005 telefonisch in kennis was gesteld van de onmiddellijke intrekking van de VGB van appellant, is appellant vrijgesteld van het verrichten van zijn werkzaamheden en is zijn Schipholpas ingenomen. KLM is op 12 oktober 2005 door de AIVD geïnformeerd dat een hernieuwd veiligheids-onderzoek was ingesteld, dat ten aanzien van appellant gebleken is van ‘nadelige gegevens’ en dat op grond daarvan de VGB is ingetrokken. Appellant heeft aangekondigd een bezwaarprocedure tegen het intrekkingsbesluit te starten. Bij brief van 2 november 2005 heeft KLM het volgende aan appellant meegedeeld: ‘Indien de bezwaarprocedure positief wordt afgerond en de AIVD u een “verklaring van geen bezwaar” afgeeft, kunt u weer volledig terugkeren in de functie van [naam functie]. Wij houden ons echter het recht voor om bij een negatief resultaat van de bezwaarprocedure te streven naar een beëindiging van het dienstverband’.

Op 29 mei 2006 is KLM meegedeeld dat het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard. Bij brief van 7 juni 2006 heeft KLM appellant bericht zich dientengevolge genoodzaakt te zien om te streven naar een beëindiging van het dienstverband zoals aangegeven in de brief van 2 november 2005 en dat appellant in afwachting van de ontbindingsprocedure vrijgesteld bleef van de verplichting werkzaamheden te verrichten.

1.2. Bij verzoekschrift van 16 augustus 2006 heeft KLM de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst terstond te ontbinden, althans tegen een in goede justitie te bepalen tijdstip, wegens wijziging in de omstandigheden. Feitelijk is aan dat verzoek ten grondslag gelegd dat appellant als gevolg van de intrekking van de VGB zijn werkzaamheden als [naam functie] niet meer kan verrichten en KLM wettelijk gehouden is appellant uit zijn functie te ontheffen, terwijl er bovendien geen basis is voor verdere vruchtbare samenwerking, omdat KLM het vertrouwen in appellant heeft verloren nu hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen die zo ernstig zijn dat deze volgens objectieve maatstaven bezwaarlijk met zijn werkzaamheden zijn te verenigen. Na verweer door appellant, waarin onder meer is betoogd dat KLM hem tewerk kan stellen buiten het beveiligde gebied, heeft de kantonrechter bij beschikking van 23 oktober 2006 de arbeidsovereenkomst tegen 1 november 2006 ontbonden. Het verzoek van appellant tot toekenning van een ontbindingsvergoeding heeft de kantonrechter afgewezen omdat de oorzaak van de ontbinding geheel in de risicosfeer van appellant ligt.

1.3. Appellant heeft uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 9 november 2006 heeft het Uwv die uitkering met ingang van 1 december 2006 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is. Appellant had kunnen weten dat zijn gedrag, te weten het plegen van een strafbaar feit waardoor hij niet meer in het bezit van de VGB was, tot ontslag zou leiden. Bij besluit van 20 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 9 november 2006 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de weigering van de WW-uitkering moet worden getoetst aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW zoals dat artikel luidt sedert 1 oktober 2006. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis overwoog de rechtbank dat het Uwv zelfstandig mag beoordelen of sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag, los van de vraag of dit ook de daadwerkelijke ontslaggrond was.

2.2. Onder 2.9 van de aangevallen uitspraak (waarin voor verweerder het Uwv en voor eiser appellant moet worden gelezen) heeft de rechtbank het volgende overwogen:

‘Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat gelet op de onderhavige omstandigheden sprake was van een dringende reden. Immers, doordat eisers VGB was ingetrokken kon de KLM eiser niet meer tewerkstellen. Dat eiser zijn VGB is verloren vloeit voort uit verwijtbaar handelen van zijn kant. Immers, er was sprake van antecedenten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser verwijtbaar heeft gehandeld jegens zijn werkgever. Eiser had moeten weten dat het hebben van antecedenten gevolgen zou hebben voor zijn VGB. De rechtbank sluit hierbij ook aan bij het oordeel van de kantonrechter van de rechtbank Haarlem die heeft geoordeeld dat de KLM niet anders heeft kunnen beslissen dan eiser uit zijn functie te ontheffen, nadat hij vanwege een strafrechtelijke veroordeling zijn VGB is kwijtgeraakt. Ook heeft de kantonrechter geoordeeld dat de oorzaak van de ontbinding volledig in de risicosfeer van eiser ligt. Derhalve heeft verweerder terecht kunnen stellen dat wat betreft eiser sprake was van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW waardoor van de KLM redelijkerwijze niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Geconcludeerd wordt dan ook dat verweerder op juiste gronden eisers aanvraag om een WW-uitkering heeft geweigerd’.

3.1. Appellant stelt in hoger beroep dat:

- de rechtbank en het Uwv ten onrechte hebben nagelaten in de beoordeling te betrekken dat KLM appellant niet op staande voet heeft ontslagen, noch heeft gesteld dat sprake was van een dringende reden;

- de rechtbank en het Uwv ten onrechte hebben aangenomen, althans onvoldoende hebben gemotiveerd, dat sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet;

- het plegen van strafbare feiten buiten de werksfeer geen verwijtbare gedraging jegens de werkgever oplevert en dat KLM dat zo ook niet heeft opgevat gelet op het feit dat appellant weer volledig kon terugkeren in zijn oude functie als hij alsnog een VGB zou krijgen;

- de rechtbank het Uwv ten onrechte niet heeft veroordeeld in de kosten, hoewel aan het bestreden besluit een onjuiste wettelijke maatstaf ten grondslag is gelegd.

3.2. Het Uwv sluit zich aan bij de aangevallen uitspraak en meent dat de lange duur van de bezwaarprocedure tegen de intrekking van de VGB een omstandigheid is die niet in het voordeel van appellant mag worden uitgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Sedert 1 oktober 2006 is de werknemer ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ten grondslag ligt en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.

Artikel 24, zevende lid, van de WW bepaalt sedert 1 oktober 2006 dat het tweede lid van overeenkomstige toepassing is met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, ten derde.

4.2. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank op goede grond het standpunt van het Uwv heeft onderschreven dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW (hierna: dringende reden) ten grondslag ligt. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. In dat verband overweegt de Raad het volgende.

4.3. Gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van het gewijzigde artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW dient een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf, welk artikel, zoals eveneens uit die wetsgeschiedenis blijkt, niet los kan worden gezien van artikel 7:677 van het BW. Met het oog op de rechtszekerheid ligt het in de rede om aan deze artikelen in het kader van de WW geen andere toepassing te geven dan tot uitdrukking komt in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hiermee is de uitkomst van de hantering van die maatstaf echter nog niet gegeven. Artikel 7:678 van het BW geeft immers geen uitputtende opsomming van feiten en omstandigheden die als dringende reden moeten worden aangemerkt, terwijl daarnaast, mede gelet op de samenhang met artikel 7:677 van het BW, ook indien zich een omstandigheid voordoet die als dringende reden zou kunnen worden aangemerkt, nog niet vaststaat dat deze voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Dat zal steeds per individueel geval dienen te worden beoordeeld.

Tot de elementen die moeten worden gewogen bij de beoordeling van de vraag of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden behoren, gelet op het vorenstaande, de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

Indien vervolgens tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd zal tot slot in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf aangelegd bij de toetsing of sprake is van een dringende reden, nu zij daarbij niet alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking heeft genomen. In het bijzonder is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat KLM zelf, zoals blijkt uit overweging 1.1, nimmer heeft overwogen appellant op staande voet te ontslaan. Voorts blijkt uit de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter dat KLM een beleid voert dat tijdens de bezwaarprocedure tegen de intrekking van de VGB het loon wordt doorbetaald en dat KLM op het moment waarop het bezwaar ongegrond wordt verklaard - evenals wanneer geen bezwaar wordt aangetekend - zo spoedig mogelijk het dienstverband zal laten beëindigen. Na de mededeling op 29 mei 2006 dat het bezwaar tegen de intrekking van de VGB ongegrond was verklaard, heeft KLM nog tot 16 augustus 2006 gewacht met het indienen van het ontbindingsverzoek. Daaruit kan naar het oordeel van de Raad niet anders worden geconcludeerd dan dat KLM, tenminste subjectief, geen reden aanwezig heeft geacht voor een onverwijlde beëindiging van de arbeidsovereenkomst met appellant wegens een dringende reden. Hoewel hieraan in het kader van artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW op zich geen doorslaggevende betekenis kan toekomen (de Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van heden, nrs. 07/5962 WW en 07/6124 WW, LJN BH2387), kan niet anders worden geoordeeld dan dat niet is gebleken van een zo ernstige gedraging van appellant dat voor KLM een situatie was ontstaan die een ontslag op staande voet rechtvaardigde.

4.5. Naar aanleiding van het gestelde namens appellant omtrent het ontbreken van verwijtbaarheid jegens de werkgever en hetgeen van de zijde van het Uwv ter zitting is opgemerkt, overweegt de Raad tot slot nog dat het Uwv en de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de weigering van uitkering in het onderhavige geval rechtstreeks aan artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW moest worden getoetst. Onder verwijzing naar de door het Uwv genoemde rechtspraak van de Raad, gegeven in het kader van de toepassing van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW (door eigen toedoen geen passende arbeid behouden), acht de Raad het in de rede liggen dat aan de weigering van uitkering dat artikelonderdeel ten grondslag wordt gelegd. Gelet op het in 4.1 weergegeven artikel 24, zevende lid, van de WW leidt dat niet tot een andere uitkomst.

5.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 24 van de WW. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar van appellant dienen te beslissen en daarbij tevens aandacht dienen te besteden aan diens verzoek tot vergoeding van de kosten in bezwaar en de wettelijke rente.

5.2. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten wegens verleende rechtsbijstand. Die kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op het bezwaar van appellant beslist, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten begroot op € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

HD