Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2390

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
19-02-2009
Zaaknummer
07/4448 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de beantwoording van de vraag of er een arbeidsrechtelijke dringende reden voordoet is niet van belang of de werkgever zich jegens de werknemer op een dringende reden heeft beroepen, noch of opzegging binnen of buiten de proeftijd plaatsvond. De Raad verwijst naar zijn uitspraak LJN BH2387. Uit de gegevens valt af te leiden dat de werkgever niet tevreden was met de houding en inzet van de werknemer en dat de perikelen rond de scooter de bevestiging vormde dat de werknemer ongeschikt was voor zijn bedrijf. Uit die gegevens valt niet af te leiden dat de werkgever die opstelling heeft ervaren als een hardnekkige weigering om redelijke opdrachten op te volgen. Geen dringende reden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4448 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 juli 2007, 07/296, LJN BB2126, USZ 2007/266 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 februari 2009.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B. de Pijper.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1972, was reeds enige tijd in het genot van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), toen hij op 16 november 2006 voor de duur van een half jaar in dienst trad bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever) met ingang van 20 november 2006. Op vrijdag 24 november 2006 heeft appellant ’s morgens vóór 8.00 uur, het aanvangstijdstip van zijn werk, telefonisch aan de werkgever laten weten dat zijn scooter defect was en dat hij om die reden niet kon komen. De werkgever heeft appellant om 10.00 uur teruggebeld en hem medegedeeld dat hij uiterlijk om 12.00 uur aanwezig moest zijn en dat hij zelf voor vervoer moest zorgen. Om 10.30 uur heeft de echtgenote van appellant de werkgever gebeld met de mededeling dat het voor appellant problematisch was om te komen omdat de reparatie van de scooter nog een dag in beslag zou nemen. De werkgever heeft de echtgenote van appellant, die zelf slechts een beperkte kennis van de Nederlandse taal heeft, toen te kennen gegeven dat appellant om 12.00 uur diende te verschijnen. Appellant heeft geen fiets en was ook van mening dat hij niet naar [vestigingsplaats] kon fietsen in verband met problemen met zijn rug. Dat hij eventueel per openbaar vervoer zijn werkplek zou kunnen bereiken, heeft appellant niet overwogen. Om 12.15 uur heeft de werkgever appellant telefonisch laten weten dat hij was ontslagen. Bij brief van 24 november 2006 heeft de werkgever bevestigd dat de arbeidsovereenkomst in de proeftijd direct werd beëindigd.

2. Appellant heeft het Uwv verzocht de hem eerder toegekende WW-uitkering te heropenen. Nadat het Uwv informatie had ingewonnen bij de werkgever en appellant had gehoord, heeft het Uwv bij besluit van 22 december 2006 de WW-uitkering per 27 november 2006 blijvend geheel geweigerd. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellant door eigen toedoen passende arbeid is kwijtgeraakt. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit, welk bezwaar bij het thans bestreden besluit van 23 februari 2007 ongegrond is verklaard. Het Uwv heeft zich in het bestreden besluit op het stand-punt gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

3.1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ter zitting bij de rechtbank heeft het Uwv de onderbouwing van de blijvend gehele weigering aangepast omdat in het bestreden besluit ten onrechte niet was uitgegaan van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW zoals dat artikel met het in werking treden van de Wet wijziging WW-stelsel en ontslagrecht per 1 oktober 2006 luidt. Het Uwv bleef van mening dat de WW-uitkering ondanks deze wetswijziging terecht geweigerd was omdat appellant hardnekkig had geweigerd te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten van de werkgever, zodat hier artikel 7:678, tweede lid, onderdeel j, van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Volgens het Uwv had van appellant verwacht mogen worden dat hij alles in het werk had gesteld om vóór 12.00 uur op het werk te verschijnen omdat het hem duidelijk had moeten zijn dat dat voor de werkgever erg belangrijk was.

3.2.1. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv het met ingang van 1 oktober 2006 gewijzigde artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW als grondslag had dienen te hanteren bij de beoor-deling van de verwijtbaarheid van de werkloosheid van appellant. De rechtbank heeft om die reden het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of er aanleiding was om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Allereerst heeft de rechtbank daartoe overwogen dat bij de beoordeling of zich een arbeidsrechtelijke dringende reden voordoet slechts van belang is of materieel aan de elementen van het begrip dringende redenen van artikel 7:678 van het BW is voldaan. Daarbij is volgens de rechtbank niet van belang of de werkgever op wiens initiatief de dienstbetrekking is beëindigd, zich jegens de werknemer op een dringende reden heeft beroepen en evenmin of opzegging heeft plaatsgevonden binnen of buiten de proeftijd.

3.2.2. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat appellant heeft geweigerd om aan een redelijke opdracht van de werkgever te voldoen. Nu appellant rechtstreeks en via zijn echtgenote meer dan eenmaal de betreffende opdracht is gegeven, is volgens de rechtbank sprake van een hardnekkige weigering in de zin van artikel 7:678, tweede lid, onder j, van het BW. De rechtbank zag voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant niet, dan wel niet in overwegende mate, een verwijt van het ontslag kon worden gemaakt. Dit leidde de rechtbank tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand konden blijven.

4. De Raad begrijpt de gronden van het hoger beroep aldus dat appellant van mening is dat er geen sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW (hierna: dringende reden) en dat hem geen verwijt treft. Het hoger beroep richt zich derhalve tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

5. Het Uwv heeft zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. Ook het Uwv is van mening dat materieel is voldaan aan de elementen van de dringende reden van artikel 7:678 van het BW. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar arbeidsrechtelijke jurisprudentie waarin het zonder geldige reden te laat op het werk komen, na eerder door de werkgever te zijn gewaarschuwd, voor de werkgever een reden voor een ontslag op staande voet oplevert.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van heden, nrs. 07/5962 WW en 07/6124 WW, LJN BH2387, onderschrijft de Raad het hiervoor onder 3.2.1 weergegeven oordeel van de rechtbank dat ter beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt een materiële beoordeling dient plaats te vinden en dat de wijze waarop het dienstverband is beëindigd niet doorslaggevend is.

6.2. De vraag dient derhalve beantwoord te worden of in het geval van appellant sprake is van verwijtbare werkloosheid omdat diens werkloosheid het gevolg is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het BW. In dat verband overweegt de Raad het volgende.

6.2.1. Gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van het gewijzigde artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW dient, als gezegd, een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf, welk artikel, zoals eveneens uit die wetsgeschiedenis blijkt, niet los kan worden gezien van artikel 7:677 van het BW. Met het oog op de rechtszekerheid ligt het in de rede om aan deze artikelen in het kader van de WW geen andere toepassing te geven dan tot uitdrukking komt in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hiermee is de uitkomst van de hantering van die maatstaf echter nog niet gegeven. Artikel 7:678 van het BW geeft immers geen uitputtende opsomming van feiten en omstandigheden die als dringende reden moeten worden aangemerkt, terwijl daarnaast, mede gelet op de samenhang met artikel 7:677 van het BW, ook indien zich een omstandigheid voordoet die als dringende reden zou kunnen worden aangemerkt, nog niet vaststaat dat deze voor de betreffende werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Dat zal steeds per individueel geval dienen te worden beoordeeld.

Tot de elementen die moeten worden gewogen bij de beoordeling van de vraag of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden behoren, gelet op het vorenstaande, de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

Indien vervolgens tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd zal tot slot in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

6.2.2. De Raad stelt vast dat de informatie die van de werkgever is ontvangen bestaat uit een - niet gedateerd - verslag van een telefoongesprek met de werkgever en uit de ontslagbrief van 24 november 2006. Het verslag van het telefoongesprek luidt als volgt:

“[…] Werkgever wou niet verder met verzekerde omdat hij het idee had dat verz absoluut niet wou werken en de kantjes er van afliep.

Als voorbeeld gaf hij aan dat verz emballage werkzmhden moest verrichten. Hij moest plastic zakken van ong 20 gram in dozen van ong 2 kilo doen en verplaatsen. Verz gaf aan dat hij dit wel ontzettend zwaar vond. Op vrijdag belde verz op dat zijn scooter kapot was en dat hij niet kon komen. Werkgever gaf aan dat verz op de fiets kon komen waarop verz aangaf dat hij geen fiets had en daarbij vond hij het erg ver. (Verz woont in tegelen en bedrijf zit in Venlo). Werkgever gaf aan dat verz dus niet wou werken.”

De ontslagbrief van 24 november 2006 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“U bent op vrijdag 24 november 2006 zonder opgave van rede niet op gekomen voor uw werkzaamheden. U was ongeoorloofd afwezig en door zo te handelen brengt u de personele en logistieke planning in te war.

Om deze redenen zullen wij de arbeidsovereenkomst met u per direct beëindigen. In verband met de proeftijd geldt er geen opzegtermijn. Wij hebben de arbeidsovereenkomst per 24 november 2006 beëindigd.”

6.2.3. De Raad is van oordeel dat deze gegevens niet de conclusie kunnen dragen dat materieel is voldaan aan de eisen die worden gesteld voor het aannemen van een dringende reden. Uit deze gegevens is af te leiden dat de werkgever niet tevreden was met de houding en inzet van appellant en dat de perikelen rond de scooter de bevestiging vormden voor het vermoeden dat appellant een ongeschikte werknemer voor zijn bedrijf was. Uit die gegevens valt echter niet af te leiden dat de werkgever die opstelling heeft ervaren als een hardnekkige weigering om redelijke opdrachten op te volgen. Evenmin blijkt uit die gegevens dat de werkgever appellant uitdrukkelijk gewaarschuwd had voor de consequenties van het niet tijdig op het werk verschijnen. De Raad onderkent dat appellant beducht moest zijn voor de gevolgen van zijn opstelling, zeker nu hij in een proeftijd verkeerde, maar, gelet op het criterium dat in deze moet worden aangelegd, kan de Raad niet concluderen dat hier sprake is van een zo ernstige gedraging van appellant dat voor de werkgever een situatie was ontstaan die een ontslag op staande voet rechtvaardigde.

6.2.4. Op grond van het vorenstaande is de Raad tot het oordeel gekomen dat de recht-bank ten onrechte heeft aangenomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Hierom komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

6.3. Het Uwv zal met inachtneming van het hiervoor overwogene opnieuw dienen te besluiten op het bezwaar van appellant.

6.4. De Raad is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op het bezwaar van appellant beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep, in totaal € 145,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.)P. Boer.

HD