Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
07-3841 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering . Voldoende medische grondslag. In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op deze hoofdregel. In dit geval bestaat geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. De door de rechtbank als deskundige ingeschakelde psychiater heeft uitgebreid en zorgvuldig onderzoek ingesteld en zijn conclusies inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3841 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 mei 2007, 06/2059 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.T. Meijhuis, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2008 waar appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.G.T. Heijmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als voorman-timmerman toen hij zich op 14 augustus 2001 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van psychische klachten. Met ingang van 13 augustus 2002 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Ingaande 15 december 2003 is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2. Naar aanleiding van de resultaten van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 12 juli 2005 de WAO-uitkering met ingang van 13 september 2005 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder bedraagt dan 15%, omdat hij geschikt is voor het eigen werk.

1.3. Het namens appellant tegen dit besluit ingestelde bezwaar is door het Uwv gegrond verklaard. Bij besluit van 24 februari 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv besloten met ingang 13 september 2005 de WAO-uitkering onveranderd te berekenen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en vervolgens deze uitkering met ingang van 18 maart 2006 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant alsnog ongeschikt wordt geacht voor zijn eigen maatgevende arbeid maar wel in staat wordt geacht ondanks zijn arbeidsbeperkingen met de voor hem geselecteerde functies een zodanig inkomen te verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit ten opzichte van hetgeen hij verdiende voor hij arbeidsongeschikt werd, 53,67% bedraagt.

2.1. In beroep heeft de rechtbank psychiater B.J. van Eyk als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft op 17 januari 2007 aan de rechtbank gerapporteerd over de gezondheidstoestand van appellant. In zijn rapport heeft Van Eyk uiteengezet dat de problematiek van appellant gezien moet worden vanuit zijn persoonlijkheid en niet vanuit een psychiatrische ziekte in engere zin. Voorts heeft hij aangegeven dat de (gezondheids)situatie van appellant op het moment van onderzoek vergelijkbaar is met de situatie op 18 maart 2006. De deskundige kan instemmen met het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden ten aanzien van de belastbaarheid van appellant.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit dan ook op een juiste medische grondslag.

2.3. De arbeidskundige onderbouwing van de arbeidsongeschiktheidsschatting heeft de rechtbank afdoende geacht. Nu echter deze onderbouwing eerst in de beroepsfase is gegeven heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft ingestemd met de belastbaarheid van appellant, zoals deze door de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen is vastgesteld. Ter zitting van de Raad is nader door appellant naar voren gebracht dat hij zich niet kan vinden in het oordeel van de deskundige dat hij geschikt wordt geacht voor het werk van timmerman, maar ongeschikt voor het werk van voorman in verband met de in de functie voorkomende stresserende omstandigheden. Door hem is aangegeven dat hij wel degelijk goed bestand is tegen stresserende omstandigheden die deze functie met zich brengen. Echter, het gevoel van onrechtvaardig behandeld te zijn, waarmee hij in deze functie te maken heeft gekregen, is vooral de oorzaak van zijn klachten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij bijzondere omstandigheden nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op deze hoofdregel.De Raad is van oordeel dat er in het thans aanhangige geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de door de rechtbank als deskundige ingeschakelde psychiater Van Eyk een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld en zijn conclusies inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd. De deskundige heeft appellant zelf tweemaal gesproken en onderzocht en heeft kennis genomen van de gedingstukken. Bovendien heeft appellant in hoger beroep geen medische informatie naar voren gebracht die twijfel doet rijzen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit op de datum in geding, te weten

18 maart 2006. In hetgeen door appellant is aangevoerd, heeft de Raad, gelet op alle gedingstukken, geen aanleiding gevonden over de medische grondslag van het besluit anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.2. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) A.C.A. Wit.

CVG