Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
07-3582 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voor onjuist te houden. Juiste vaststelling belastbaarheid. Geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies niet passend zouden zijn voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3582 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 mei 2007, 06/3759 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.A.P. van Pul, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2008, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.C. van Etten, kantoorgenoot van mr. Van Pul, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van den Elsaker.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende. In geding is het besluit van 9 juni 2006 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 februari 2006, waarbij het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 18 maart 2006 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de functies zoals deze als grondslag voor de schatting in aanmerking zijn genomen, maar heeft het besluit onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Dit omdat de motivering van de geschiktheid van de geduide functies pas in beroep is gegeven met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar medische beperkingen onjuist zijn weergegeven, dat zij in aanmerking moet komen voor een urenbeperking en dat zij ongeschikt is om de geduide functies te vervullen. Ter ondersteuning is gewezen op de overgelegde informatie van Het Roessingh, centrum voor revalidatie te Enschede. Voorts is gesteld dat aan een toezegging van de verzekeringsarts en haar ziekmelding per

20 maart 2006 is voorbijgegaan. Ten slotte is informatie van het CIZ overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

5. Evenals de rechtbank, ziet de Raad geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voor onjuist te houden. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat door de bezwaarverzekeringsarts op basis van eigen onderzoek van appellante en de informatie van Het Roessingh en de huisarts genoegzaam is gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, aan te nemen. In dit verband stelt de Raad vast dat de voornoemde ziekmelding bij de beoordeling is betrokken. Vastgesteld kan worden dat de FML voldoende rekening houdt met de belastbaarheid van appellante.

6. Voor wat betreft de motivering van de bij deze schatting geduide functies, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies niet passend zouden zijn voor appellante. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank dienaangaande in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

7. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG