Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
07-3064 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Inkomen uit arbeid. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3064 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 april 2007, 05/1618 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College).

Datum uitspraak: 27 januari 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. H.M.A.W. Erven, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden. Mr. Erven heeft eveneens nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Erven. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Daalen, werkzaam bij de gemeente Almere.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt met ingang van 29 augustus 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Aangezien de echtgenote van appellant geen recht heeft op algemene bijstand, is hem met toepassing van artikel 24 van de WWB bijstand toegekend naar de norm die voor hem als alleenstaande ouder zou gelden. In verband met de mededeling van appellant op het rechtmatigheidsformulier van december 2003 dat hij per half januari 2004 zelfstandig gaat werken, is de betaling van de uitkering per 1 januari 2004 in afwachting van onderzoek geblokkeerd. Op 5 februari 2004 heeft appellant telefonisch contact gezocht met zijn contactpersoon bij de gemeente met de vraag of hij een fotostudio kon beginnen, waarna appellant en zijn echtgenote in een gesprek op dezelfde dag aan de contactpersoon nadere inlichtingen hebben verstrekt. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven dat hij de op 1 oktober 2002 gevestigde en op naam van zijn echtgenote staande fotostudio wil overnemen, dat zijn echtgenote teruggaat naar Iran en dat hij een lening heeft afgesloten bij de Postbank van € 10.000,--. De inhoud van het gesprek was voor het College aanleiding de sociale recherche een nader onderzoek te laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek is dossieronderzoek verricht, is informatie ingewonnen bij diverse instanties, zijn waarnemingen en later stelselmatige observaties verricht en zijn appellant en zijn echtgenote verhoord. Uit het onderzoek, waarvan op 17 mei 2005 een rapport is opgemaakt, kwam naar voren dat appellant in de periode van 20 juni 2003 tot 11 mei 2005 werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten uit een onderneming zonder hiervan melding te maken aan het College.

1.2. De onderzoeksbevindingen waren voor het College aanleiding om bij besluit van 7 juni 2005 de bijstand van appellant met ingang van 11 mei 2005 te beëindigen (lees: in te trekken) op de grond dat hij inkomsten heeft uit zelfstandige arbeid welke hoger zijn dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Op dezelfde grond is bij besluit van 5 juli 2005 de bijstand van appellant over de periode van 29 augustus 2003 tot en met 10 mei 2005 ingetrokken. Tevens zijn de kosten van de aan appellant over de periode van 29 augustus 2003 tot en met 31 december 2004 verleende bijstand tot een bedrag van bruto € 23.913,54 en van de aan hem over de periode van 1 januari 2005 tot en met 10 mei 2005 verleende bijstand tot een bedrag van netto € 4.505,60 van hem teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 23 september 2005 zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 7 juni 2005 en 5 juli 2005 ongegrond verklaard. De grondslag van de primaire besluiten is gewijzigd en luidt na bezwaar dat als gevolg van het schenden door appellant van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gezien de ter zitting van de Raad gegeven toelichting geldt deze motivering zowel voor de intrekking van de bijstand vanaf 11 mei 2005 als voor de intrekking en terugvordering over de periode van 29 augustus 2003 tot en met 10 mei 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2005 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij erkent dat hij over de periode van 29 augustus 2003 tot 11 december 2003 niet volledig aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Op 11 december 2003 heeft hij echter op zijn rechtmatigheidsformulier vermeld dat hij per half januari 2004 als zelfstandige aan het werk wilde. Vanaf 1 januari 2004, toen de bijstand om die reden geblokkeerd werd, heeft hij het College meerdere malen om advies gevraagd en informatie verstrekt over het starten van een eigen onderneming. Appellant betwist niet dat hij werkzaamheden in de winkel heeft verricht, maar stelt gezien de kwestie rond de illegaliteit van zijn echtgenote en de onmogelijkheid om alleen van zijn uitkering rond te komen niets anders te hebben kunnen doen dan mee te helpen in de onderneming van zijn echtgenote. Ten slotte heeft appellant gesteld dat sprake is van dringende redenen om van intrekking en terugvordering af te zien, gezien de psychische en sociale gevolgen van het optreden van de sociale recherche.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College aan appellant met ingang van 20 mei 2005 tot en met 31 augustus 2005 een uitkering in de kosten van levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 heeft toegekend. Dit brengt mee dat de beoordeling door de bestuursrechter van de intrekking van de bijstand vanaf 11 mei 2005 de periode tot en met 19 mei 2005 bestrijkt.

4.2. Voor de Raad is op grond van de bevindingen van het onder 1.2 genoemde onderzoek genoegzaam komen vast te staan dat appellant gedurende de periode van 29 augustus 2003 tot 11 mei 2005 regelmatig op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in een fotostudio, welke van 1 oktober 2002 tot 1 november 2002 en van 1 januari 2004 tot 1 februari 2004 op zijn naam heeft gestaan, en van 1 november 2003 tot 1 januari 2004 en vanaf 1 februari 2004 op de naam van zijn echtgenote. Van deze werkzaamheden en van de daaruit genoten inkomsten heeft hij geen melding gemaakt aan het College, hoewel het daarbij gaat om feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Hierdoor heeft hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft weliswaar begin 2004 aan het College meegedeeld dat hij van plan was om een onderneming te starten dan wel over te nemen van zijn echtgenote, maar heeft verzuimd om aan het College opgave te doen van het feit dat hij de onderneming op 1 oktober 2002 heeft opgericht en daarin van meet af aan werkzaamheden heeft verricht. Het gegeven dat de onderneming vrijwel onafgebroken op naam van zijn echtgenote stond, ontsloeg appellant niet van de verplichting om aan het College te melden dat hij voor die onderneming voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante werkzaamheden verrichtte. Nu op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld hoeveel inkomsten appellant met zijn werkzaamheden heeft verworven, kan het recht op bijstand over de perioden van 29 augustus 2003 tot 11 mei 2005 en vanaf 11 mei 2005, beoordeeld tot en met 19 mei 2005, niet worden vastgesteld.

4.3. Gelet op het voorgaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 29 augustus 2003 tot en met 10 mei 2005 en met ingang van 11 mei 2005. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de uitkering.

4.4. Uit 4.3 vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de over de periode van 29 augustus 2003 tot en met 10 mei 2005 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Het College voert het beleid dat in beginsel steeds van de bevoegdheid tot terugvordering wordt gebruik gemaakt en dat daarvan kan worden afgezien op grond van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De door appellant aangevoerde omstandigheden zijn niet van dien aard dat sprake is van een dringende reden in de zin van het beleid, zodat niet op die grond van terugvordering zou moeten worden afgezien. De Raad ziet evenmin grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van de beleidsregel geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en G.W.B. van Westen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

EK