Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
07-2192 WAO + 07-3918 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Nader besluit. Beperkingen niet onderschat. Nader toegelicht dat appellant de geduide functies kan uitoefenen, ook als rekening wordt gehouden met de beperkingen die zijn verwerkt in de toelichtingen bij een achttal aspecten uit de FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2192 WAO + 07/3918 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 maart 2007, 06/1932

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Dennekamp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 29 juni 2007 een nieuw besluit genomen.

Bij brieven van 25 november en 1 december 2008 zijn namens appellant nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellant was werkzaam als timmerman, toen hij zich na een auto-ongeval op 11 november 1996 ziek meldde met whiplash klachten. In verband daarmee ontvangt hij vanaf november 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 23 januari 2006 heeft het Uwv per 20 maart 2006 de WAO-uitkering van appellant herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Bij besluit van 17 juli 2006 zijn de bezwaren van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de herziening van de uitkering ligt ten grondslag dat appellant weer in staat wordt geacht om met zijn beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat zijn verlies aan verdiencapaciteit is afgenomen naar ongeveer 28%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 17 juli 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen en nieuw besluit te nemen op de bezwaren van appellant. De rechtbank heeft bepaald dat het griffierecht en de in beroep gemaakte proceskosten aan appellant vergoed dienen te worden. Voor vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten ziet de rechtbank geen reden. De rechtbank kan zich verenigen met de medische grondslag van het besluit, maar stelt vast dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op zeven punten een zogenaamde verborgen beperking bevat. Op die punten kan in verband met het ontbreken van een daarop gerichte motivering niet worden vastgesteld of de geduide functies door appellant met zijn beperkingen uitgeoefend kunnen worden.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de psychische beperkingen in het licht van het rapport van de psychiater prof. Dr. M. Kuilman juist zijn vastgesteld. Appellant heeft verwezen naar de in de beroepsfase ingediende gronden en meent dat hij met name meer beperkingen heeft als gevolg van zijn linker duimklachten en dat er ten onrechte geen duurbeperking is geformuleerd nu hij feitelijk niet meer dan 20 uur kan werken, wat het maximum voor hem is. Appellant meent dat ten onrechte geen veroordeling van het Uwv in de kosten in bezwaar heeft plaats gevonden en wenst van de Raad een oordeel over het geschil in volle omvang.

3.2. Ter zitting van de Raad is namens appellant nog aangevoerd dat het besluit van 17 juli 2006 reeds niet in stand kan blijven omdat dit niet gebaseerd kan worden op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 januari 2007. Appellant heeft de Raad verzocht zelf een deskundige in te schakelen dan wel hemzelf de gelegenheid te bieden een deskundigenonderzoek te doen instellen.

3.3. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en heeft ter uitvoering daarvan een nieuw besluit d.d. 29 juni 2007 genomen, waarbij de bezwaren van appellant opnieuw ongegrond zijn verklaard. Nu met dit besluit niet aan het beroep van appellant is tegemoet gekomen zal de Raad dit op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure betrekken.

3.4. In hoger beroep is voorts gebleken dat appellant zich op 11 september 2006 met toegenomen klachten tot het Uwv heeft gewend. In verband hiermee heeft het Uwv na een wachttijd van vier weken per 9 oktober 2006 de WAO-uitkering van appellant herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

4.1. Met betrekking tot het hoger beroep van appellant overweegt de Raad het volgende.

4.2. Appellant is op 26 augustus 2005 op het spreekuur onderzocht door de verzekeringsarts G.H. Hilhorst en op 26 juni 2005 bij gelegenheid van de hoorzitting door de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans. Deze laatste heeft blijkens zijn rapport nadrukkelijk beoordeeld of er aanleiding is om in verband met de bewegingsbeperking van de linker duim van appellant een beperking in de FML op te nemen ten aanzien van hand- en vingergebruik. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarvoor geen reden gezien, behoudens zijn aanvulling in de beroepsfase, dat langdurige belasting van de linkerduim boven de normaalwaarde niet mogelijk is. De Raad acht deze motivering van de bezwaarverzekeringsarts voldoende overtuigend.

4.3. Voor het opnemen van meer psychische beperkingen of van een duurbeperking acht de Raad in het licht van de voorhanden gegevens ook geen reden. De verzekeringsartsen hebben het rapport van de psychiater Kuilman, die geen psychiatrische stoornis heeft kunnen vaststellen, bij hun beoordeling betrokken en hebben in hun eigen contacten met appellant ook geen aanwijzingen kunnen vinden voor meer beperkingen. Ook het oordeel dat appellant gewoon fulltime kan werken in een aan zijn beperkingen aangepaste functie acht de Raad voldoende onderbouwd. Dat appellant al jaren niet meer dan 20 uur werkt hoeft daaraan naar het oordeel van de Raad niet af te doen, onder meer niet omdat niet duidelijk is of die werkzaamheden voldoen aan de opgestelde beperkingen van appellant.

4.4. Inmiddels is gebleken dat appellant wegens toegenomen beperkingen per 11 september 2006 door het Uwv volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. De Raad heeft geen aanwijzingen dat ook op de datum die in het huidige geding van belang is, 20 maart 2006, al van toegenomen klachten sprake was. Op laatstgenoemde datum werkte appellant immers nog 20 uur per week aan het inrichten van een werkplaats. Die werkzaamheden heeft hij pas op 11 september gestaakt.

4.5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat hij evenals de rechtbank geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. Voor het zelf inschakelen van een deskundige ziet de Raad dan ook geen reden.

4.6. De Raad ziet ook geen reden om het onderzoek te heropenen teneinde appellant de gelegenheid te bieden nog een nadere medische gegevens in te brengen, bijvoorbeeld in de vorm van een rapport van een expertise. Bij brief van 12 juli 2007 heeft appellant de Raad verzocht een deskundige in te schakelen, of hem in de gelegenheid te stellen zelf een deskundigenonderzoek te entameren. Bij brief van 29 juli 2008 heeft de Raad appellant meegedeeld, dat hij vooralsnog geen aanleiding heeft gevonden om het verzoek van appellant in te willigen. Appellant heeft vervolgens niet zelf een deskundige om een oordeel verzocht, of de Raad nogmaals verzocht hem daartoe de gelegenheid te bieden door de zaak bijvoorbeeld nog niet op een zitting te agenderen. De stelling van appellant, zoals de Raad deze op basis van het verhandelde ter zitting begrijpt, dat alleen het advies van een deskundige die ook wel door de Raad als zodanig wordt ingeschakeld, het standpunt van appellant adequaat kan ondersteunen, volgt de Raad niet.

4.7. Ook het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in de bezwaarfase deelt de Raad. Van een herroeping wegens aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid is immers geen sprake.

4.8. Met betrekking tot het nadere besluit van 29 juni 2007 overweegt de Raad het volgende.

4.8.1. In zijn rapport van 30 mei 2007 heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman nader toegelicht dat appellant de geduide functies kan uitoefenen, ook als rekening wordt gehouden met de beperkingen die zijn verwerkt in de toelichtingen bij een achttal aspecten uit de FML. Dit gevoegd bij de motiveringen van de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportages van 12 juli 2006 en 19 januari 2007, alsmede de motivering van de arbeidsdeskundige K.P. Speets in zijn rapport van 31 mei 2006, leidt de Raad tot de conclusie dat appellant in staat moet worden geacht de geselecteerde functies met zijn beperkingen te verrichten.

4.8.2. Het standpunt van appellant dat het rapport van 19 januari 2007 hierbij geen rol kan spelen acht de Raad onjuist. Dat dit rapport kort voor de zitting van de rechtbank in de procedure is gebracht en daarom bij de beoordeling van het besluit van 17 juli 2006 geen rol heeft gespeeld of heeft mogen spelen, acht de Raad niet meer van belang nu laatstgenoemd besluit reeds om andere redenen door de rechtbank is vernietigd, en nu met name voor wat betreft de arbeidskundige onderbouwing op 29 juni 2007 opnieuw op de bezwaren van appellant is beslist. Dit besluit is terecht mede gebaseerd op het rapport van 19 januari 2007, welk rapport zich ook onder de stukken van het geding in hoger beroep bevindt.

4.8.3. Het bezwaar van appellant is daarom bij het besluit van 29 juni 2006 terecht ongegrond verklaard.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 29 juni 2007 zal ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 juni 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op

30 januari 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) A.C.A. Wit.

CVG