Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
07-3624 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting. Bevoegdheidsgebrek. Vernietiging besluit, rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3624 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 mei 2007, 06/1517 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

1. het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland, gevestigd te Gulpen (hierna: dagelijks bestuur)

2. het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd, waaronder een besluit van het College.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nijsten. Het dagelijks bestuur en het College hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. M.G.C. Lamers-Geelen, werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft gedurende de periode van 21 november 2001 tot en met 31 december 2003 een bijstandsuitkering ontvangen ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Tijdens een verkeerscontrole ter hoogte van de woning van appellante op 12 mei 2004 hebben politieagenten een sterke henneplucht - vermoedelijk afkomstig uit die woning - geroken, waarna met toestemming van appellante een onderzoek in haar woning heeft plaatsgevonden. In het kader van dat onderzoek zijn in de woning een hennepplantage van ongeveer 500 planten en een kleinere hennepplantage van 40 tot 60 planten aangetroffen. Ten overstaan van de politie heeft appellante toen verklaard dat zij de grote hennepplantage vanaf 1 januari 2004 in gebruik had en de kleinere plantage sinds ongeveer drie jaar. De sociale recherche is van de betreffende gegevens in kennis gesteld en heeft nader onderzoek verricht voor zover het betreft de periode waarover appellante bijstand heeft ontvangen. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in een rapport van 12 januari 2005 en een proces-verbaal van 1 juni 2005.

1.2. Bij, namens het algemeen bestuur van Pentasz Mergelland genomen, besluit van het 22 april 2005 is de bijstand van appellante over de periode van 21 november 2001 tot en met 31 december 2003 ingetrokken en zijn de over die periode gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 34.764,88 van haar teruggevorderd.

1.3. Bij, namens het dagelijks bestuur genomen, besluit van 17 mei 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2005 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag, voor zover in dit geding van belang, dat appellante door geen mededeling te doen van de exploitatie van een hennepkwekerij in haar woning haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, met als gevolg dat haar recht op bijstand over de hiervoor vermelde periode niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad overweegt eerst ambtshalve het volgende. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van (onder meer) 18 september 2007 (LJN BB3987) en 22 april 2008 (LJN BD1011) is de Raad van oordeel dat de bestuursorganen van Pentasz Mergelland niet bevoegd waren tot het nemen van de besluiten van 22 april 2005 en 17 mei 2006, omdat - kort gezegd - ten tijde hier van belang deze bevoegdheid nog berustte bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals (het College). De bevoegdheden op dit punt waren - anders dan thans het geval is - toen nog niet rechtsgeldig overgedragen aan het desbetreffende bestuursorgaan van de gemeenschappelijke regeling Pentasz Mergelland. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 17 mei 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de wet.

4.2. Het College - het destijds wel bevoegde orgaan - heeft in zijn vergadering van 30 september 2008 besloten het besluit van 17 mei 2006, inclusief alle reeds aangevoerde en nog aan te voeren verweren en aanvullingen ten aanzien van dit besluit en inclusief het eventueel daaraan ten grondslag liggende beleid, integraal voor zijn rekening te nemen, en mevrouw mr. M.G.C. Lamers-Geelen te machtigen het College te vertegenwoordigen bij de Raad in de onderhavige procedure. Gelet daarop zal de Raad - mede met het oog op een definitieve beslechting van het geschil – bezien of een inhoudelijke beoordeling van de zaak aanleiding geeft de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 17 mei 2006 in stand te laten.

4.3. De Raad stelt vast dat door appellante niet wordt bestreden dat zij gedurende de periode waarin aan haar bijstand is verleend in haar woning een hennepkwekerij van 40 tot 60 planten heeft geëxploiteerd en dat zij hiervan destijds geen mededeling heeft gedaan aan het College.

4.4. Appellante stelt zich echter op het standpunt dat zij daarmee niet in strijd heeft gehandeld met haar inlichtingenverplichting omdat zij alleen voor eigen gebruik kweekte, dat wil zeggen dat zij samen met haar zoon, haar partner en met vrienden de hennep consumeerde. Appellante stelt in dit verband verder ten gevolge van het eigen gebruik en de (tegenvallende) geringe opbrengsten van de hennepteelt niets te hebben verdiend.

4.5. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 april 2008, LJN BC9263, kan bij een hennepplantage van ongeveer 5 planten al geen sprake meer zijn van uitsluitend eigen gebruik. In het geval van appellante gaat het om een kwekerij van 40 tot 60 planten. Ook indien moet worden aangenomen dat sprake was van meerdere gebruikers in eigen kring, dan nog acht de Raad het onaannemelijk dat de gehele opbrengst van een kwekerij met deze omvang voor een dergelijk eigen gebruik is aangewend. Overigens heeft appellante ten overstaan van de politie ook verklaard dat zij hennep aan vrienden en bekenden heeft uitgedeeld.

4.6. Het exploiteren van een hennepkwekerij als hier aan de orde moet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat dit van belang kon zijn voor de verlening van de bijstand. Door geen melding te maken van deze - gelet op de omvang van de kwekerij onmiskenbaar op geld waardeerbare - activiteit heeft appellante het betrokken bestuursorgaan de mogelijkheid ontnomen tijdig een onderzoek te doen instellen naar de exacte omvang van de werkzaamheden, de grootte van de diverse oogsten en de eventueel daaruit voortvloeiende verdiensten. De Raad is dan ook van oordeel dat appellante de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Gelet op de omstandigheid dat appellante geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden omtrent de exacte omvang van de kwekerij, de oogsten en daaruit ontvangen inkomsten, kan niet meer worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellante recht op bijstand had over de hier aan de orde zijnde periode.

4.7. De schending van de inlichtingenverplichting heeft derhalve met zich gebracht dat aan appellante over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend. Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) over te gaan tot intrekking. Daaruit vloeit voort dat het College tevens bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. De besluitvorming is in overeenstemming met het ter zake van intrekking en terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van het beleid had moeten worden afgeweken.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 17 mei 2006 in stand kunnen blijven.

4.9. De Raad ziet aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 mei 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het openbaar lichaam Pentasz Mergelland;

Bepaalt dat het openbaar lichaam Pentasz Mergelland het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A. Badermann.

OA