Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
07-4884 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. In hetgeen appellante heeft aangevoerd acht de Raad dringende redenen gelegen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Bijzondere omstandigheden: geen sprake van schending inlichtingenverplichting; het College heeft niet adequaat gereageerd op de informatie van appellante; het College heeft veel te lang gewacht met de herberekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4884 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 juli 2007, 06/4913 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College).

Datum uitspraak: 27 januari 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Groen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.S. van Tricht, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was parttime werkzaam bij de Technische Universiteit Delft (TU Delft). Daarnaast ontving zij een aanvullende bijstandsuitkering. De inkomsten die appellante ontving bij de TU Delft werden achteraf verrekend met haar uitkering.

1.2. Bij besluit van 27 juli 2004 heeft het College een bedrag van € 992,86 van appellante teruggevorderd in verband met een nabetaling over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2004 en een uitbetaling van verlofdagen. Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het College een bedrag van € 1.590,51 van appellante teruggevorderd in verband met een nabetaling van een loonheffingskorting die in de periode van januari 2004 tot en met augustus 2004 niet was toegepast. Bij besluit van 25 juli 2005 heeft het College het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 27 juli 2004 en 21 oktober 2004 gegrond verklaard en die besluiten ingetrokken. Daarbij is meegedeeld dat een herberekening zou plaatsvinden van het recht op bijstand over de periode van 1 december 2001 tot en met 22 december 2004.

1.3. Naar aanleiding van deze herberekening heeft het College bij besluit van 11 juli 2005 de bijstand van appellante over het tijdvak van 1 december 2001 tot en met 22 december 2004 herzien en de kosten van de over deze periode verleende bijstand tot een bedrag van € 11.201,90 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 3 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2005 gegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag verlaagd met de bedragen die ten onrechte in aanmerking zijn genomen voor de niet toegepaste loonheffingskorting in de periode van 1 december 2001 tot en met 31 december 2002 en van 1 september 2003 tot en met 31 december 2003. Voorts heeft het College besloten af te zien van brutering. Als gevolg hiervan is het terugvorderingsbedrag nader bepaald op € 4.463,43 netto.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 3 mei 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is benadrukt dat zij steeds aan haar informatieplicht heeft voldaan door tijdig alle inkomensgegevens te verstrekken, maar dat het College onzorgvuldig heeft gehandeld door haar telkens te confronteren met - al dan niet gedeeltelijk - onjuiste besluiten. Volgens appellante heeft het College niet meer in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening en terugvordering over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat het College op goede gronden heeft besloten om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB te herzien over de periode van 1 december 2001 tot en met 22 december 2004. Hieruit volgt dat het College bevoegd was de hierdoor te veel of ten onrechte betaalde bijstand van appellante terug te vorderen met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

4.3. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voerde het College ten tijde hier in geding het beleid dat in alle gevallen tot terugvordering van te veel of ten onrechte verstrekte bijstand werd overgegaan, tenzij sprake is van dringende redenen of een noodzaak om mee te werken aan een schuldenregeling. Voor de uitleg van dringende redenen is door het College aansluiting gezocht bij vaste rechtspraak van de Raad, zoals deze is ontwikkeld met betrekking tot artikel 78, derde lid, van de Abw. Deze rechtspraak houdt in dat voor een succesvol beroep op dringende redenen sprake dient te zijn van onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden heeft plaatsgehad. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

4.4. Het besluit tot terugvordering is genomen in overeenstemming met dit beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd acht de Raad dringende redenen gelegen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad wel bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van dat beleid (gedeeltelijk) had moeten afwijken. Vaststaat dat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is. Eveneens staat vast dat het College niet adequaat heeft gereageerd op de tijdig en steeds correct door appellante verstrekte informatie over haar inkomsten bij de TU Delft. Naar het oordeel van de Raad heeft het College veel te lang gewacht met de herberekening van het recht op bijstand over de periode van 1 december 2001 tot en met 22 december 2004. Als gevolg van dit niet adequaat reageren is appellante (pas) bij besluit van 11 juli 2005 geconfronteerd met een terugvordering van € 11.201,90 over dat tijdvak onverschuldigd betaalde bijstand, welk bedrag, na bezwaar, is verlaagd tot € 4.463,43. Het College had daarin aanleiding behoren te vinden de terugvordering te beperken tot de bedragen waarvan hij oorspronkelijk, dat wil zeggen: vóór de herberekening, is uitgegaan.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 3 mei 2006 vernietigen en het College opdragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4.7. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, wegens aan appellante verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 mei 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Delft aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Delft aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en G.W.B. van Westen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

EK