Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
07-4266 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De in het dossier aanwezige medische gegevens bieden voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van appellant een juist medisch standpunt met betrekking tot zijn beperkingen en mogelijkheden tot het verrichten van arbeid zijn ingenomen. Geen grond om de bij de schatting gebruikte functies aan te merken als liggend buiten het bereik van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4266 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 juni 2007, 05/1673

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Atema, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. P. Rijnsburger, kantoorgenoot van mr. Atema, heeft zich bij schrijven van 8 december 2008 als opvolgend gemachtigde gesteld en de gronden aangevuld, waarop door het Uwv schriftelijk is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rijnsburger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.

2.1. Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 4 april 2005 ingetrokken omdat appellants mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 25%. Bij besluit van 30 augustus 2005 (het bestreden besluit) zijn de bezwaren van appellant tegen he intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.

2.2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellant met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geduide functies.

3.1. De rechtbank heeft in de stukken aanleiding gezien om cardioloog A. Oomen als deskundige te benoemen. Oomen heeft op 30 mei 2006 verslag uitgebracht. Naar aanleiding van dit verslag heeft bezwaarverzekeringsarts T. Miedema de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. De deskundige heeft bij schrijven van 14 augustus 2006 aangegeven zich te kunnen vinden in de aanpassingen in de FML. De wijzigingen in de FML leverden echter ongewijzigd een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% op.

3.2. De rechtbank heeft zich met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen, maar heeft dat besluit vernietigd vanwege de aanpassingen in de FML in de beroepsfase. De rechtbank heeft in de stukken echter wel aanleiding gevonden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.1. Van de zijde van appellant is in hoger beroep een aantal eerdere aangevoerde gronden herhaald.

4.2. De Raad schaart zich achter de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de toename van arbeidsongeschiktheid binnen vier weken na de verzending van het primaire besluit en ten aanzien van de berekening van de maatman. Met de rechtbank ziet de Raad voorts geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de deskundige Oomen.

4.3. De Raad kan de rechtbank eveneens volgen in haar oordeel dat de in het dossier aanwezige medische gegevens voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat ten aanzien van appellant een juist medisch standpunt met betrekking tot zijn beperkingen en mogelijkheden tot het verrichten van arbeid is ingenomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat van de zijde van appellant in hoger beroep geen medische stukken in het geding zijn gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv.

4.4. De Raad acht voorts de overige gronden van hoger beroep waaronder de bezwaren tegen het bijduiden van de functie telefonist/receptionist, het computergebruik en opleidingsniveau afdoende en puntsgewijs weerlegd in het rapport van 17 december 2008 van bezwaararbeidsdeskundige J. Langius.

4.5. Ook de Raad kan derhalve appellant niet volgen in de opvatting dat er geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat zijn beperkingen zijn onderschat. Gegeven aldus de juistheid van de in aanmerking genomen beperkingen, heeft de Raad voorts geen grond om de bij de schatting gebruikte functies aan te merken als liggend buiten het bereik van appellant.

4.6. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

4.7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op

30 januari 2009.

(get) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) A.C.A. Wit.

CVG