Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
07-5196 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand wegens voorschotten WW-uitkering, maar geen bruto-terugvordering. Er is geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting. Voorts kan appellante er geen verwijt van worden gemaakt dat de vordering van het College niet reeds in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft (in dit geval 2003) is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 78

Uitspraak

07/5196 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 juli 2007, 06/5701 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2008. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. Bardok, werkzaam bij de gemeente Leiden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 1 mei 1994 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij de inkomstenverklaring over de maand september 2003, die appellante naar de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Leiden (hierna: de Dienst) heeft gezonden, heeft zij een kopie van een giroafschrift gevoegd waaruit blijkt dat op 15 september 2003 een bedrag van € 600,-- op haar rekening is bijgeschreven als voorschot op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij de inkomstenverklaring over de maand oktober 2003 heeft appellante een afschrift van het besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) van 31 oktober 2003 gevoegd, waarbij aan appellante met ingang van 27 januari 2003 een uitkering ingevolge de WW en een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) zijn toegekend. Daarbij heeft appellante tevens een kopie van de uitkeringsspecificatie van 5 november 2003 ingezonden, waaruit blijkt dat over de periode van 27 januari 2003 tot 14 april 2003 € 1.244,10 bruto aan WW-uitkering en € 532,95 bruto aan toeslag is verstrekt, dat van het nettobedrag € 1.425,-- is verrekend met de verstrekte voorschotten en € 63,03 netto wordt uitbetaald. In reactie op de ingezonden inkomstenverklaring heeft het College appellante bij schrijven van 11 november 2003 verzocht de juiste specificatie van de WW-uitkering in te zenden. Aangezien appellante aan dat verzoek geen gehoor gaf, heeft het College bij besluit van 25 november 2003 de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2003 opgeschort. Nadien heeft appellante een kopie van een giroafschrift ingezonden waaruit blijkt dat op 1 september 2003 € 825,-- op haar rekening is bijgeschreven als voorschot WW-uitkering. Bij besluit van 23 februari 2004 heeft het College de opschorting van bijstand ongedaan gemaakt. Het Uwv heeft de Dienst per fax van 11 mei 2004 nadere gegevens verstrekt over de uitkeringen die aan appellante over de periode van 27 januari 2003 tot 14 april 2003 zijn toegekend, in totaal een bedrag van € 1.488,03 netto, exclusief € 132,16 netto aan vakantiegeld.

1.3. Bij besluit van 11 juni 2004 heeft het College de bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 april 2003 ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB herzien in verband met de over die periode aan appellante verstrekte WW-uitkering en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.812,17 bruto op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 juni 2004 ongegrond verklaard met dien verstande dat de herziening de periode van 27 januari 2003 tot 14 februari 2003 (lees: 14 april 2003) betreft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 23 mei 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het College de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4. beschikt of kan beschikken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is bij toepassing van dit onderdeel van artikel 58 van de WW geen plaats voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit.

4.2. Hetgeen onder 4.1 is overwogen betekent dat, nu het College de bijstand van appellante over de periode van 27 januari 2003 tot 14 april 2003 met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB heeft herzien en de hiermee samenhangende terugvordering heeft gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, het besluit van 23 mei 2006 alsmede de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.

4.3. De Raad staat vervolgens voor de vraag of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

4.4. Gelet op het besluit van het Uwv van 31 oktober 2003, de uitkeringsspecificatie van 5 november 2003 en de door het Uwv bij fax van 11 mei 2004 aan de Dienst verstrekte gegevens, staat voor de Raad vast dat aan appellante over de periode van 27 januari 2003 tot 14 april 2003 uitkeringen ingevolge de WW en de TW zijn verstrekt van in totaal € 1.488,03 netto, exclusief vakantiegeld. Naar het oordeel van de Raad kan uit de door het Uwv op 11 mei 2004 gefaxte gegevens niet worden afgeleid, zoals appellante stelt, dat het bedrag is afgeboekt en derhalve van appellante is teruggevorderd dan wel verrekend met een uitkering ingevolge de Ziektewet. Uit de gegegevens blijkt dat de aan appellante verstrekte voorschotten van € 825,-- en € 600,-- zijn verrekend met de aan haar toegekende uitkeringen ingevolge de WW en TW, waarna een nettobedrag van € 63,03 resteert. De gegevens komen overeen met de uitkeringsspecificatie van 5 november 2003. De Raad merkt nog op dat het College ter zitting heeft aangevoerd dat uit de overgelegde giroafschriften is gebleken dat op 10 november 2003 het bedrag van € 63,03 op de girorekening van appellante is bijgeschreven.

4.5. Hieruit vloeit voort dat het College ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel bevoegd was over te gaan tot terugvordering van in de periode van 27 januari 2003 tot 14 april 2003 gemaakte kosten van bijstand.

4.6. De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden, Door het inzenden van het besluit van het Uwv van 31 oktober 2003 en de uitkeringsspecificatie van 5 november 2003 heeft appellante tijdig melding gemaakt van de uitkeringen ingevolge de WW en TW die haar over de periode van 27 januari 2003 tot 14 april 2003 zijn toegekend. Meer informatie mocht van appellante redelijkerwijs niet worden verwacht.

4.7. De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 november 2006, LJN AZ3437, van oordeel dat het College in het geval van appellante bij afweging van de rechtstreeks bij de besluitvorming betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik kan maken van de in artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering. Daartoe is van belang dat, zoals overwogen onder 4.6, niet als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting door appellante ten onrechte bijstand is verleend, zodat appellante geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de vordering van het College. Voorts kan appellante er geen verwijt van worden gemaakt dat de vordering van het College niet reeds in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft (in dit geval 2003) is voldaan. De terugvordering van het nettobedrag aan kosten van bijstand over voornoemde periode is in overeenstemming met de door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels van het College. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk had moeten afzien.

4.8. Uit rechtsoverweging 4.7 vloeit voort dat geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het besluit van 23 mei 2006 in stand te laten. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 11 juni 2004 te herroepen en te bepalen dat van appellante over de periode van 27 januari 2003 tot 14 april 2003 een bedrag van (netto) €1.181,46 wordt teruggevorderd.

4.9. Het verzoek van appellante om het College met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente komt voor niet toewijzing in aanmerking omdat appellante niet heeft aangetoond dat zij schade heeft geleden.

4.10. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 mei 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 11 juni 2004 en bepaalt dat van appellante over de periode van 27 januari 2003 tot 14 april 2003 een bedrag van € 1.181,46 wordt teruggevorderd;

Wijst het verzoek aan schadevergoeding af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--,

te betalen door de gemeente Leiden;

Bepaalt dat de gemeente Leiden aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.F. Bandringa en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2009.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) A. Badermann.

RB