Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
07-4899 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Juiste vaststelling beperkingen. Voldoende overtuigend gemotiveerd dat in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen. Geen aanleiding aanwezig om een nader onderzoek door een deskundige in te instellen. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4899 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2007, 06/3650

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 19 december 2008. Voor appellante is haar voornoemde raadsman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft gewerkt als schoonmaakster en kamermeisje en is sinds 15 november 1996 arbeidsongeschikt als gevolg van diverse gezondheidsklachten. In verband hiermee ontvangt zij sinds november 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 30 maart 2006 heeft het Uwv per 30 mei 2006 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken, omdat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden geacht. Bij besluit van 3 november 2006 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 3 november 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar tevens beslist dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven, met daarnaast bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit, maar meent dat het besluit pas in de beroepsfase op alle relevante punten van een deugdelijke motivering is voorzien.

3.1. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het besluit van 3 november 2006 in stand te laten. Appellante is van mening dat het Uwv vooral haar psychische beperkingen heeft onderschat en dat daarom ook de geduide functies voor haar niet geschikt zijn. Appellante acht zich gesteund door haar behandelaars en heeft in hoger beroep nog informatie overgelegd van haar voormalige psychiater B.J.M. Franssen, van haar huidige psychiater A. Lisei en van medici die haar in Marokko hebben behandeld, toen zij daar in de zomer van 2006 verbleef.

3.2. Het Uwv ziet in de overgelegde informatie geen reden een ander standpunt in te nemen en heeft ter onderbouwing verwezen naar rapportages van 1 november 2007 en 22 mei 2008 van de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar.

4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. In verband met de psychische klachten van appellante heeft de verzekeringsarts een aantal beperkingen voor appellant opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 maart 2006. De bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar, die appellante zelf heeft gezien op het spreekuur van 13 oktober 2006, meent dat de arbeidsmogelijkheden van appellante daarmee correct zijn weergegeven en heeft in de in de bezwaarfase overgelegde informatie van de huisarts en de psychiater van appellante geen reden gezien om meer of zwaardere beperkingen op te nemen. Ook in de in overweging 3.1 genoemde in hoger beroep overgelegde informatie gaf de bezwaarverzekeringsarts daartoe geen aanleiding. De Raad constateert dat de bezwaarverzekeringsarts aldus beschikte over veel informatie omtrent het psychisch functioneren van appellante en is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapporten voldoende overtuigend heeft gemotiveerd dat in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen. De Raad ziet daarom ook geen reden om een nader onderzoek door een deskundige te doen instellen.

4.2. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat de aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ten grondslag gelegde functies, in medische zin voor haar geschikt moeten worden geacht.

5. Nu overigens geen gronden tegen de aangevallen uitspraak zijn aangevoerd, leidt het vorenoverwogene de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op

30 januari 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) A.C.A. Wit.

CVG