Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
08-3176 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening: geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3176 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet

op het verzoek van:

[verzoekster] (hierna: verzoekster),

om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 maart 2008, 06/3733,

in het geding in hoger beroep tussen

verzoekster

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 27 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft haar echtgenoot, R.F. Gagliardi, om herziening verzocht van de op het voorblad genoemde uitspraak van de Raad. Hij heeft nadien nadere stukken ingezonden.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2008. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Dagelijks Bestuur heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden.

2. Namens verzoekster is betoogd - samengevat - dat de uitspraak van de Raad niet volledig is en niet duidelijk gemotiveerd, alsmede dat de uitspraak niet in overeenstemming is met de hier toepasselijke wettelijke bepalingen en de (vaste) jurisprudentie.

3. De Raad wijst er in de eerste plaats op dat het rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om - anders dan op grond van een feit of een omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb - een hernieuwde discussie over de betrokken kwestie te voeren en evenmin om een discussie te openen over de uitspraak waarop het verzoek ziet.

4. In essentie komt het verzoek er op neer dat verzoekster zich nog steeds niet kan vinden in het standpunt van het Dagelijks Bestuur en in de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 juni 2006, 05/8211 over het onderliggende geschil, en evenmin in het oordeel dat de Raad over dat standpunt en die uitspraak heeft gegeven. Mede tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in onderdeel 3 is overwogen, kan dat niet tot inwilliging van het verzoek leiden.

5. In alles wat verzoekster (verder) in haar verzoekschrift en de nader ingebrachte stukken heeft aangevoerd kan de Raad geen feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:88 van de Awb zien. Ook ter zitting van de Raad heeft verzoekster niet kunnen wijzen op een feit of omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin. Zij heeft nog wel gewezen op door het Dagelijks Bestuur gehanteerde beleidsregels met betrekking tot terugvordering van bijstand, en met name op hetgeen daarin is vermeld over de toepasselijkheid van de zogenoemde zesmaanden-jurisprudentie van de Raad. Volgens haar had toepassing van die beleidsregels tot andere besluitvorming kunnen leiden. Die beleidsregels zijn evenwel op verzoek van de Raad door het Dagelijks Bestuur reeds in oktober 2007 overgelegd, derhalve ruimschoots voor de zitting van de Raad van 5 februari 2008. De inhoud van deze beleidsregels was derhalve aan verzoekster en aan de Raad bekend. Verzoekster had zich daarop al tijdens het geding dat heeft geleid tot de in geding zijnde uitspraak kunnen beroepen.

6. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A. Badermann.

OA