Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2268

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
07-3946 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting is aangevoerd, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van de Raad (onder meer LJN AR4717), dat hij tot ver in de beroepsprocedure heeft moeten wachten op een deugdelijke en toetsbare motivering van de zijde van het Uwv van de geschiktheid van de aan hem voorgehouden functies. De vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank vanwege een motiveringsgebrek, waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit door de rechtbank in stand zijn gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), doet in de visie van appellant aan deze situatie geen recht. De door de rechtbank op dit punt gevolgde benadering is in overeenstemming met wat de Raad in vorenbedoelde uitspraken ter zake heeft overwogen en geoordeeld. Geen grond om de bij de schatting gebruikte functies aan te merken als liggend buiten het bereik van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3946 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 mei 2007, 06/4255

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S. van den Elsaker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 september 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die op dat moment werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per 15 november 2005 wordt ingetrokken, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.2. Bij bestreden besluit van 11 juli 2006 heeft het Uwv het ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geduide functies.

2. De rechtbank heeft zich met de medische grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen, maar heeft dat besluit vernietigd om reden dat eerst in de fase van het beroep een toereikende motivering is gegeven van de passendheid van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat zijn medische beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst onjuist zijn weergegeven. Vanaf 1996 tot 2005 is door het Uwv een urenbeperking in acht genomen. Zonder dat zijn situatie medisch gezien is gewijzigd, is deze urenbeperking komen te vervallen. Appellant is van mening dat de verzekeringsartsen onvoldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht.

4.1. De Raad kan de rechtbank volgen in haar overwegingen dat de in het dossier aanwezige medische gegevens voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat ten aanzien van appellant een juist medisch oordeel met betrekking tot zijn beperkingen en mogelijkheden tot het verrichten van arbeid is aangenomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat van de zijde van appellant - ook in hoger beroep - geen medische stukken in het geding zijn gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv.

4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting is van de zijde van appellant de grief aangevoerd, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (onder meer LJN AR4717), dat hij tot ver in de beroepsprocedure heeft moeten wachten op een deugdelijke en toetsbare motivering van de zijde van het Uwv van de geschiktheid van de aan hem voorgehouden functies. De vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank vanwege een motiveringsgebrek, waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit door de rechtbank in stand zijn gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), doet in de visie van appellant aan deze situatie geen recht.

4.3. Ten aanzien van dit punt merkt de Raad op dat de door de rechtbank op dit punt gevolgde benadering in overeenstemming is met hetgeen de Raad in vorenbedoelde uitspraken ter zake heeft overwogen en geoordeeld.

4.4. Ook de Raad kan derhalve appellant niet volgen in de opvatting dat er geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat zijn beperkingen zijn onderschat. Gegeven aldus de juistheid van de in aanmerking genomen beperkingen, heeft de Raad voorts geen grond om de bij de schatting gebruikte functies aan te merken als liggend buiten het bereik van appellant.

4.5. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

4.6. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op

30 januari 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) A.C.A. Wit.

CVG