Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2265

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
07-2621 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Ingevolge artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank bepalen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De beslissing van de rechtbank om in het onderhavige geval op grond van proceseconomische redenen van deze bevoegdheid gebruik te maken, kan de Raad niet voor onjuist houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2621 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 maart 2007, 06/1509 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2008, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is productiemedewerkster geweest en is op 20 juni 1996 uitgevallen wegens neurasthenie met psychosomatische klachten. Sinds 13 december 2002 ontvangt appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door de arts A. van den Broeke-Spieker, die in haar rapport van 26 januari 2006 tot de conclusie is gekomen dat appellante beperkingen heeft als gevolg van psychische klachten, alsmede knie- en rugklachten. Met inachtneming van deze beperkingen heeft zij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.H.A. Oosterwegel in zijn rapport van 23 februari 2006 vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. Bij besluit van 2 maart 2006 is appellante meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 3 mei 2006 wordt ingetrokken.

2.1. In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij onder behandeling is van een psychiater, een psycholoog en een fysiotherapeut en dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Voorts heeft zij gesteld dat haar van de zijde van het Uwv is toegezegd dat zij vanwege haar leeftijd niet meer zou worden onderworpen aan een herbeoordeling.

2.2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke op 11 mei 2006 rapport had uitgebracht, waarin hij de bevindingen van de primaire arts heeft onderschreven, heeft het Uwv bij besluit van 16 mei 2006 het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft appellante haar in bezwaar naar voren gebrachte gronden herhaald. Daarnaast heeft zij gesteld dat in bezwaar geen arbeidskundige heroverweging heeft plaatsgevonden.

3.2. Bij schrijven van 28 februari 2007 heeft het Uwv een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman ingebracht waarin de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies nader is gemotiveerd.

3.3. De rechtbank heeft op de eerste plaats overwogen dat van een toezegging dat appellante in het geheel niet meer zou worden onderworpen aan een herbeoordeling geen sprake is geweest. Van de zijde van het Uwv is appellante slechts meegedeeld dat zij niet zou worden herbeoordeeld aan de hand van het per 1 oktober 2004 in werking getreden Schattingsbesluit. Daar is ook geen sprake van geweest. De herbeoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van criteria zoals die golden voor 1 oktober 2004. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de medische component van het bestreden besluit. De rechtbank heeft het bestreden besluit echter op arbeidskundige gronden vernietigd omdat ten tijde waarop dit besluit werd genomen de geschiktheid van de geselecteerde functies niet in voldoende mate was gemotiveerd. Aangezien met het in beroep overgelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Huisman de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies alsnog in voldoende mate is aangetoond, heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen over proceskosten en griffierecht.

4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met de conclusies van de rechtbank en de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Met betrekking tot de door appellante in hoger beroep naar voren gebrachte stelling dat een vernietiging van het bestreden besluit zich niet verdraagt met het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit wijst de Raad op het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge dit artikellid kan de rechtbank bepalen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De beslissing van de rechtbank om in het onderhavige geval op grond van proceseconomische redenen van deze bevoegdheid gebruik te maken, kan de Raad niet voor onjuist houden.

4.2. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM