Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
08-4903 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand, maar geen bruto-terugvordering: appellante kan geen verwijt worden gemaakt van het ontstaan van de vordering; geen schending inlichtingenverplichting; appellante kan geen verwijt worden gemaakt dat de vordering niet reeds in het lopende kalenderjaar is voldaan; aan de betalingsregeling heeft zij zich gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 70
RSV 2009, 117
Module Ambtenarenrecht 2009/1352

Uitspraak

08/4903 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 juli 2008, 07/5881 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College).

Datum uitspraak: 27 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Groen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.S. van Tricht, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was parttime werkzaam bij de Technische Universiteit Delft (TU Delft). Daarnaast ontving zij een aanvullende bijstandsuitkering. Met ingang van 1 oktober 2005 is appellante wegens reorganisatie ontslagen bij de TU Delft. Op haar is een buitengewoon verlof regeling van toepassing vanaf de ontslagdatum, welke eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Nadat gebleken was dat appellante met ingang van 1 oktober 2005 niet in aanmerking kwam voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, heeft zij een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het College aan appellante met ingang van 1 oktober 2005 een bijstandsuitkering toegekend op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande die 21 jaar of ouder is maar jonger dan 65 jaar is en met een toeslag van 20% van het minimumloon.

1.3. Nadat gebleken was dat bij de toekenning van de WWB-uitkering was verzuimd rekening te houden met de inkomsten van buitengewoon verlof en spaarloon, heeft het College bij besluiten van 4 september 2006 de bijstand over de perioden van 1 oktober 2005 tot en met 31 december 2005 en van 1 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006 herzien en de kosten van de hierdoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaalde bijstand tot een bedrag van € 1.879,66 en van € 3.071,29 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluiten van 10 oktober 2006 heeft het College de besluiten van 4 september 2006 gewijzigd en de terugvorderingsbedragen nader vastgesteld op € 1.956,75 en € 3.074,20.

1.5. Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het College de op 1 januari 2007 resterende terugvordering over het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006 gebruteerd en vastgesteld op € 3.000,49.

1.6. Bij besluit van 27 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 4 september 2006, dat met toepassing van artikel 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht werd geacht tegen de besluiten van 10 oktober 2006, gedeeltelijk gegrond verklaard en de besluiten van 10 oktober 2006 in zoverre herroepen dat de bedragen van de terugvordering zijn gewijzigd in € 1.843,34 netto, over de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 december 2005, en € 3.071,29 netto over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006. Het College heeft ook het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit in zoverre herroepen dat het bedrag van de op 1 januari 2007 resterende terugvordering is gewijzigd in € 2.995,92 bruto.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 27 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is benadrukt dat zij aan haar inlichtingenplicht heeft voldaan door tijdig alle inkomensgegevens te verstrekken, maar dat het College onzorgvuldig heeft gehandeld door haar telkens opnieuw te confronteren met - al dan niet gedeeltelijk - onjuiste besluiten. Volgens appellante heeft het College niet meer in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat het College op goede gronden heeft besloten om de bijstand van appellante, met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB te herzien over de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 augustus 2006. Hieruit volgt dat het College bevoegd was de hierdoor te veel of ten onrechte betaalde bijstand van appellante terug te vorderen met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

4.2. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voerde het College ten tijde hier in geding een beleid dat in alle gevallen tot terugvordering van te veel of ten onrechte verstrekte bijstand werd overgegaan, tenzij sprake is van dringende redenen of een noodzaak om mee te werken aan een schuldenregeling. Voor de uitleg van dringende redenen is door het College aansluiting gezocht bij vaste rechtspraak van de Raad, zoals deze is ontwikkeld met betrekking tot artikel 78, derde lid, van de Algemene bijstandswet. Deze rechtspraak houdt in dat voor een succesvol beroep op dringende redenen sprake dient te zijn van onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden heeft plaatsgehad. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

4.3. Het besluit tot terugvordering is genomen in overeenstemming met dit beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd acht de Raad geen dringende redenen gelegen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in dit geval van zijn beleid had moeten afwijken.

4.6. De Raad is wel van oordeel dat het College in het geval van appellante bij de afweging van de rechtstreeks bij de besluitvorming betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de in artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering, zodat sprake is van strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daartoe is allereerst van belang dat appellante geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de vordering van het College op haar. Van schending van de op appellante rustende inlichtingenverplichting is immers geen sprake. Voorts kan appellante er geen verwijt van worden gemaakt dat de vordering van het College niet reeds in het lopende kalenderjaar is voldaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante met het College ter zake van de terugvordering een betalingsregeling had getroffen waaraan zij zich heeft gehouden. Onder deze omstandigheden heeft het College niet in redelijkheid kunnen besluiten de op 1 januari 2007 nog resterende terugvordering over het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 31 augustus 2006 te bruteren.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 27 juni 2007, voor zover betrekking hebbende op de op 1 januari 2007 resterende terugvordering, vernietigen en het College opdragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4.8. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, wegens aan appellante verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 juni 2007, voor zover betrekking hebbende op de op 1 januari 2007 resterende terugvordering;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Delft aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Delft aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en G.W.B. van Westen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Pijper.

EK